Aan de oever van het heelal

Wijdbeens ligt hij op zijn rug en hij staart naar iets dat alleen hij kan zien. Rond zijn lippen speelt een verrukte glimlach. Van beneden hoort hij vaag de stemmen van zijn ouders, tegelijk hoort hij ze niet. Zijn kleine zolderkamer is verdwenen. Hij weet niet waar hij is, hij weet zelfs niet meer wie hij is. Het heldere licht boven zijn bed beheerst zijn hele wezen. Het kruipt in hem en neemt bezit van hem op een liefelijke, warme en zachte manier.

Het doet hem een beetje denken aan de armen van zijn moeder toen hij nog jonger was. Het doet hem ook denken aan de blozende naaktheid van de meisjes in de kleedkamer na de gymles. Aan spitste borstjes en dat geheime, maar o zo interessante plekje dat zij hebben en hij niet. Hij kreunt zacht als het licht door zijn lichaam glijdt en hem overal lijkt te raken. Vooral daar. Ja daar. Dat voelt fijn. Warm, zacht en nat. Ritmisch wiegt hij heen en weer en hij zucht als het witte licht stevig rond het naamloze ding sluit. Het ding waar hij niet aan mag komen en dat hij aan niemand mag laten zien, vooral niet aan de naakte meisjes in de kleedkamer.
Zijn ademhaling gaat sneller als het licht gestroomlijnde vormen krijgt. Grote ogen dansen in zijn hoofd en kijken hem verwonderd aan. In zijn kruis wordt het nog warmer en nog natter. Automatisch stoot hij omhoog met zijn heupen. De ogen worden groter. Hij groeit en hij voelt … Hij voelt … Hij weet niet precies wat hij voelt, alleen maar dat hij het heel erg voelt.

Helder zweeft het licht van hem weg. Hij probeert het vast te grijpen en huilt als het door het dakraam naar buiten waait en zich bij de miljoenen fonkelende sterren in de inktblauwe lucht voegt. Wanhopig roept hij dat het bij hem terug moet komen en hij gaat rechtop in bed zitten om zijn woorden kracht bij te zetten. Zijn lakens zijn nat en het ding dat geen naam mag hebben ligt bonzend en slap in zijn lies. De trap naar de zolder kraakt. Hij trekt de lakens weer over zich heen en draait zich op zijn zij. Enkele seconden later gaat de deur open en verschijnen de bezorgde gezichten van zijn ouders. Zijn vader doet een paar stappen naar het bed. ‘Wietse, gaat het goed?’
Wietse knijpt zijn ogen stijf dicht en geeft geen antwoord, hij hoort zijn moeder zacht lachen en voelt even haar warme hand als ze een pluk haar van zijn wang strijkt. ‘Hij heeft vast een mooie droom.’
Zijn vader bromt iets onverstaanbaars en zacht ruisend verwijderen zijn ouders zich weer. De deur valt met een droge klik achter ze dicht.
Wietse gaat op zijn rug liggen en schudt zijn hoofd. Het was mooi. Zij was mooi en heerlijk, maar geen droom. Ze was echt en ze kwam voor hem. Hij weet niet waarom, maar hij zal er alles aan doen om dat te ontdekken en haar terug te vinden.

*

Midden op de dag is San Pedro de Atacama niet meer dan een slaperige woestijnstad. Iedereen houdt siësta en blijft binnen om de brandende zon te ontlopen. De kleine, witte kerk flikkert in het zonlicht en het plein ervoor is doodstil. In de schaduw van een boom zit een oude man te soezen. De lage huizen zijn wit, ivoor of hebben de kleuren van hun omgeving. Zand en droge aarde. Woestijnromantiek.

In één van de lage huizen ligt Wietse te slapen. Het dunne laken heeft hij van zich afgetrapt en zijn bezwete borst gaat hijgend op en neer. Zo nu en dan kreunt hij diep en grommend. Met kleine schokken duwt hij zijn heupen omhoog. Zijn gezwollen lid ligt trillend tegen zijn onderbuik. Hij droomt en hij weet dat hij droomt. Toch blijft hij onbewust doordrongen van de hoop dat het deze keer toch geen droom is.
Het heldere, witte licht valt warm en vochtig over hem heen. Het likt langs zijn huid en bijt zachtjes in zijn tepels. Nat trekt het aan zijn ballen en stevig klemt het rond zijn lid. Hij stoot en hij hijgt. Hij wil dat ze zich aan hem toont en uit het licht tevoorschijn komt. Hij wil haar weer voelen. Zoals hij haar toen voelde.

Vlak voor zijn hete zaad zich kolkend een weg naar buiten kan werken, deint het gevoel van hem weg. Hij schudt wild met zijn hoofd en probeert het wanhopig vast te houden. Het laagje zweet op zijn lichaam koelt langzaam af en teleurgesteld opent hij zijn ogen. Zijn volle ballen zijn pijnlijk en hij voelt het bloed kokend door zijn lid pompen. Gefrustreerd legt hij zijn hand eromheen en hij kijkt naar de vrouw die naast hem ligt te slapen. Haar volle borsten vallen opzij en haar mond staat een beetje open.
Wietse komt overeind en rolt op haar. Met zijn knieën duwt hij haar benen wat verder uit elkaar. Ze mompelt zacht en kreunt als hij zijn stijve lid langzaam bij haar naar binnen duwt. Hij sluit zijn ogen en telt zijn stoten. Bij de zevende stroomt zijn zaad heet in de warme buik van de slapende vrouw en ademloos wacht hij op het gevoel dat nooit komt.
De vrouw opent haar ogen en kijkt hem misnoegd aan. ‘Is dat alles?’
Hij rolt van haar af en staat op. Ze komt overeind. ‘En ik dan?’
Wietse zoekt zijn kleding bij elkaar, hij geeft haar geen antwoord. Het gaat altijd hetzelfde. Hij geeft vrouwen wat ze van hem willen, maar het lijkt nooit genoeg. Hij begrijpt het niet en hij probeert het niet meer te begrijpen. Mensen zijn vreemde wezens, vrouwen helemaal.

Hij is haar al vergeten als hij de deur achter zich dicht trekt en door de uitgestorven, stoffige straat naar zijn jeep loopt. Ze is niet van belang. Vrouwen zijn nooit van belang geweest. Het gevoel waar hij naar op zoek is, kunnen ze hem niet geven. Hij gebruikt ze om zijn ergste dorst te lessen, maar ze stellen hem altijd teleur. Heel soms houdt het zijn bloed een tijdje rustig. Dat is van korte duur. Altijd volgt er weer een onrustige nacht met beelden aan de zolderkamer uit zijn jeugd en het heldere licht dat door het dakraam naar buiten zweeft.

Hij zet zijn zonnebril op en stapt in de jeep. Terwijl hij door de straten rijdt, ziet hij langzaam het stadje ontwaken. Hier en daar steekt hij zijn hand op. Mannen bekijken hem argwanend en ook dat begrijpt hij niet. Het is niet zijn schuld dat vrouwen veranderen in behaagzieke, kirrende wezens wanneer hij in de buurt is. Hij geniet van de voordelen die het hem oplevert, maar het heeft hem meer dan eens een aantal rake klappen opgeleverd. Hij woont en werkt hier nu bijna tien jaar, maar is nog steeds een bezienswaardigheid met zijn felrode haardos, lichte ogen en bleke, door de zon getergde huid. Ze noemen hem de Ier en hij probeert allang niet meer uit te leggen dat hij in Holland geboren en getogen is. Het maakt niet uit. Zijn ouders leven niet meer en dat waar hij al sinds zijn veertiende naar op zoek is, heeft hij er niet gevonden. Thuis is waar zijn werk hem brengt en het bracht hem hier, naar Chili. Het land waar de aarde ophoudt en het heelal begint.

Het stof achter de jeep waait op en hij geeft gas als hij de brede woestijnweg opdraait en de stad achter zich laat. Een groot, zeegroen bord met witte letters wenst hem een goede reis. In de verte ziet hij de bergen in hun wisselende tinten. Zandgeel, roze, roestbruin en grijs. erboven de felblauwe lucht met uitgeveegde, witte wolken. De begroeiing onder aan de bergen is droog en dor, hier en daar staat een struik die dapper groen probeert te blijven onder de verzengende hitte van de zon. Hij zet de radio aan en trommelt met zijn vingers op het stuur als Spaans-Argentijnse klanken hem vergezellen bij de warme, stoffige rit naar het observatorium.
Wanneer hij de witte gebouwen op het brede plateau ziet, geeft hij nog meer gas. Zijn hart bonst fel en zijn ademhaling gaat sneller als hij ook de eerste schotels in het zicht krijgt. Daar ligt zijn leven. Het doel van zijn bestaan en opgewonden verwachting trilt door zijn lichaam. Misschien vindt hij haar vannacht. Misschien zal morgenochtend de zoektocht die in zijn jonge jaren begon, eindelijk voorbij zijn.

Hij was geen uitblinker op school. In geen enkel vak en hij wist zijn ouders en leerkrachten dan ook te verbazen met de keuze van zijn studie. Eerst wiskunde, toen natuurkunde, daarna sterrenkunde. Hij wilde vat krijgen op het witte licht dat in zijn dromen verscheen en hij dacht dat zijn studiekeuze hem dichterbij een antwoord zou brengen. Hij werd astronoom.
Dagen en nachtenlang onderzoekt hij de meest fundamentele bouwstenen van materie. Hij zoekt naar de geboorte van nieuwe sterren en planeten, hoe deze evolueren en weer sterven en speurt naar alternatieve bronnen van energie. Dat doet hij allemaal vanachter grote beeldschermen. De gegevens worden doorgestuurd door de zesenzestig enorme radioschotels die in de woestijn rond het observatorium staan. De signalen die deze schotels opvangen, geven unieke inzichten in de stervorming in het vroegste stadium van het universum en brengen planeetvormende sterren met hoge resolutie in kaart. Computers zijn vanaf het prille begint door de sterrenkunde omarmd. Het is een ontwikkeling die hij met lede ogen heeft aangezien. Wietse kijkt liever met zijn eigen ogen naar de sterren.
Pas als zijn dienst erop zit, begeeft hij zich naar de grote koepel aan de rand van het plateau waar hij naar het fonkelende sterrenruim staart tot hij zijn ogen niet meer open kan houden. Met een zwaar hoofd begeeft hij zich naar de slaapruimte onder het observatorium. Hij is de enige en hij laat zich op één van de lege bedden vallen. Zodra zijn hoofd het kussen raakt spoelt de slaap over hem heen.

Met een bonkend hart wordt hij wakker. Verdwaasd kijkt hij om zich heen. Zijn slaap was diep en zonder dromen en het maakt dat hij niet meteen weet waar hij is. Zijn lichaam en hoofd hebben tijd nodig om wakker te worden. Het duurt dan ook even voor de loeiende sirene tot hem doordringt. Duizelig staat hij naast het bed. Op blote voeten en in zijn boxer rent hij naar de gang. Het is er donker en het zwakke, rode waarschuwingslicht werpt grillige beelden op de witte muren. Hij rent naar de dichtstbijzijnde uitgang. Ook buiten loeit de sirene en de zwaailichten op de gebouwen werpen een spookachtig schijnsel over het geasfalteerde plateau. De parkeerplaatsen zijn leeg. Hij rent heen en weer terwijl de sirene alarmerend blijft loeien. Waar is iedereen?
Hij roept, gaat weer naar binnen en bedenkt dan dat hij buiten moet blijven. Daar lijkt de nacht versneld te vallen. De lucht wordt roze, dan lila, donkerpaars en dan zwart. De melkweg strekt zich schitterend boven hem uit.
Zijn hart maakt een sprong als hij ver in de woestijn een felle lichtflits ziet. In zijn hoofd verschijnen de grote ogen waar hij al zo lang naar op zoek is en voor een kort moment bevriest hij in al zijn bewegingen. Dan begint hij weer te rennen, naar binnen, naar het smalle trappenhuis richting de voet van het plateau. Zijn adem jaagt in zijn borst en zijn tong plakt tegen zijn gehemelte als hij achter het licht aan blijft rennen. Hij kijkt niet om. Zijn hoofd en hart volgen de ogen verder de woestijn in. Zijn lichaam doet de rest. Hij voelt niet dat het kouder wordt, hij is vergeten dat hij op blote voeten loopt en dat hij enkel zijn korte boxer draagt. Het licht en de ogen hebben bezit van hem genomen. Hij wordt geroepen en kan niets anders doen dan gehoorzamen.

Hij zweeft achter het licht aan. De grote ogen dagen hem uit dichterbij te komen en snellen van hem weg zodra hij denkt dat hij het te pakken heeft. Even komt haar vorm tevoorschijn, rond en lonkend. Hij ziet lange, slanke benen, de spitse ronding van een doorschijnende borst met een prachtig patroon van dunne adertjes. Hij roept haar als ze weer in de lichtbal verdwijnt en probeert haar bij te houden. De droge lucht giert door zijn longen en hij snikt. ‘Wacht … neem me met je mee. Laat me niet weer achter.’
Huilend valt hij op zijn knieën en hij strekt zijn armen naar het wegsnellende licht. ‘Kom terug! Wie of wat je ook bent. Ik ben van jou.’
Trillend blijft de lichtbal hangen en langzaam komt het bij hem terug. Gelukzalig kijkt hij in het felle licht. ‘Alleen van jou, ik ben altijd van jou geweest.’
In de lucht rijst een gestalte van een schoonheid die hij nooit eerder heeft gezien, maar altijd heeft vermoedt. Ze is majestueus en haar ogen kijken dwars door hem heen. Ze lijkt op een aardse vrouw, tegelijk is ze zo anders. Koel en helder van buiten, heet en troebel naarmate hij dieper in haar ogen kijkt. Uit haar mond komen zangerige klanken die hij niet kan verstaan en ze nestelen zich in zijn hoofd. In volle adoratie kijkt hij naar haar op. Het bloed stroom wervelend door zijn aderen en verzamelt zich kloppend in zijn kruis. Zijn lid zwelt op, groter en dikker dan ooit. De stof van zijn boxer spant er strak tegenaan. Wietse zucht verrukt. Eindelijk voelt hij het. Dat gevoel waar hij nog steeds geen naam voor heeft, maar het zit in hem en het komt door haar. Zij is het licht in zijn leven en hij weet dat ze ook naar hem heeft gezocht. Langzaam komen de ogen dichterbij. Haar ijle lichaam omhelst hem en verhit iedere vezel in zijn lichaam. Ze tilt hem op en likt zijn huid open. Hij kreunt als hij het bloed door zijn dunne aderen ziet stromen. Vloeiend, als de natuurlijke stroom van een rivier. Zijn handen proberen haar te strelen. Ze valt in duizenden schitterende deeltjes uiteen en komt weer samen alsof haar hele substantie bestaat uit kleine, magnetische korrels. De klanken in zijn hoofd worden hoger en hij voelt dat het een uiting van vrolijkheid is. Ze speelt met hem en laat haar lichaam door dat van hem spoelen. Elke keer dat hij haar probeert vast te pakken grijpen zijn vingers in het luchtledige en valt ze als fijn zand uit elkaar. Hij speelt met haar mee, ontvangt haar in zijn lichaam en laat zichzelf op dat van haar vallen. Ze geeft hem krachtige schokken van genot die tintelend door zijn hele lijf trekken. Samen met haar stijgt hij op en om hen heen dansen de miljoenen sterren die hij zo vaak van een afstand heeft bekeken. Onder hem ligt de enorme woestijn. Hij ziet het observatorium en de stad vol mensen die hij niet begrijpt. Het prachtige wezen volgt zijn blik en kijkt hem vragend aan. Hij schudt zijn hoofd. Zijn leven ligt niet daar. Nu hij weer bij haar is weet hij dat hij nooit echt heeft geleefd. Hij is altijd in afwachting geweest van haar komst.
Haar klanken tinkelen vrolijk in zijn hoofd en ze neemt met hoge snelheid afstand van hem. Hij voelt haar grip verslappen en razendsnel ziet hij de dorre woestijn dichterbij komen. Hij graait om zich heen alsof hij zich probeert vast te grijpen aan de lege lucht. Ze is weer veranderd in een witte lichtbol en  groeit. Verwonderd ziet hij haar heel even de plek van de maan innemen. Zijn val lijkt te vertragen als het voor een kort moment aardedonker wordt en hij alleen nog de heldere lichtjes van haar ogen ziet. Dan maakt ze zich los van de maan en komt groots weer op hem af zweven. De adem stokt in zijn keel als hij volledig in haar verdwijnt. Zijn hart zwelt op en tegelijk met haar spat hij uiteen in een eindeloos, waanzinnig orgasme.

Het observatorium is in rep en roer nadat de sirene ging en ze Wietse enkel gekleed in zijn ondergoed de woestijn in zagen rennen. Een team van vrijwilligers is al uren naar hem op zoek. De achtergebleven astronomen en wetenschappers kijken verbijsterd naar de gegevens die de radioschotels hebben opgevangen. In korte tijd zijn er miljoenen sterren geboren en weer gestorven. In fonkelende banen vinden ze een laatste rustplaats aan de oever van het heelal.


Ik schreef dit verhaal voor Thewa #22 – de april uitdaging van EWA-Nederland, de ruimte: schrijf een verhaal over erotiek in de ruimte – gewichtsloze erotiek. ‘Aan de oever van het heelal’ is mijn interpretatie van dit thema. Ik vind het leuk als je me laat weten wat je er van vindt. Ewa is inmiddels opgegaan in Eroscripta.

 

5 reacties

  1. Ai Sandra, je weet me keer op keer weer te boeien met je heerlijke verhalen. Ik lees het van begin tot eind aan een stuk door. Heerlijk. Het eerste gedeelte, waar jij zijn onschuld maar ook beginnende frustratie beschrijft is een degelijke basis voor het tweede gedeelte. Je beeldspraak is mooi en laat het verhaal nog meer leven. Prachtig geschreven!

    Antoinette

  2. Hoi Sandra,

    Mooie invulling van de schrijfopdracht. Maak van ‘kloppen’ even ‘kloppend’, dan klopt dat ook weer. 🙂 Ik ben het met 2Pet eens over die overgang. Wat draagt dat eerste gedeelte bij aan het verhaal? Het kan ook zonder volgens mij.
    Verder een lekker wegdroom verhaal.

    Gr. Lex

  3. Het begin is inderdaad het mooist: een puber die in eenzaamheid ontluikt. Niet dat de rest niet mooi is: ik bleef maar doorlezen omdat ik wilde weten hoe het alfloopt. Alleen de overgang van de slaapkamer naar San Pedro de Atacama is me iets te abrupt maar dat kan aan mij liggen.

  4. Sterk geschreven, ingetogen en toch heel spannend. Het heelal versus het universum in iemands hoofd. Je legt steeds meer een eigen stijl en diepgang in je verhalen. Complimenten!

  5. Zacht en liefdevol verhaal dat tot het einde boeit. Met erg veel plezier gelezen. Het begin op het zolderkamertje vind ik het mooist verwoord, hierin klinkt zijn eenzaam verlangen het sterkst door. Mooi ook dat je zegt dat ‘de nacht versneld lijkt te vallen’ in plaats van ‘dat alles ineens donker wordt.’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

© 2018 Vlammende verzinsels

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: