Vroeger was het hier anders. Er was een tijd dat het het hier vrolijk was, gezellig en rustig. Nu is er altijd wel wat. Gedoe, drukte, veel bezorgde en verbeten gezichten. Lege ogen. Het is lang geleden dat er hier echt gelachen is. Het is ook lang geleden dat er hier een keer goed schoongemaakt is. Eigenlijk hebben we altijd koude voeten en het vocht kruipt langzaam omhoog. Vuil stapelt zich op in onze hoeken en we zitten onder de graffiti, vlekken en spatten waarvan we de oorsprong niet goed meer weten. Maar ooit was het anders. Hoe lang het geleden is weten we niet precies. Tijd is een vreemd concept als je voeten stevig verankerd zijn en we alleen de buren hebt om mee te praten. Zij aan de overkant staan te ver weg om een fatsoenlijk gesprek mee te voeren, maar gezien de dichtgetimmerde luiken vermoeden we dat hun verhaal zo’n beetje hetzelfde zal zijn als dat van ons.

Toen we hier net stonden was alles licht, de straat ook. De bomen reikten toen nog niet eens tot aan onze taille. Dat was leuk. Zij zagen meer dan wij en vertelden verhalen over wat er in de andere straten gebeurde. Tegenwoordig zetten ze ons in de schaduw en kijken ze op ons neer. Wat ze elkaar fluisterend vertellen is niet meer voor onze oren bestemd. Ze waarschuwen ons ook niet meer. Het is dus altijd maar afwachten wat onze kant op komt.

Maar goed, vroeger …

De allereerste herinneren we ons nog goed. Het was een vrouw met twee katten. We werden bekleed met licht bloemetjes behang en voor onze vensters hingen witte gordijnen die vrolijk dansten in de wind als ze de ramen opende. Ze was vaak thuis. Lezend met een van de katten op schoot, of ze zat aan de telefoon. Ze had een prettige stem, een beetje zangerig. Het was fijn om daar naar te luisteren. Soms kreeg ze bezoek. Vriendinnen en familie, haar ouders, een broer. Dan geurde de kamer naar gebraden vlees en gestoofd fruit. Zo nu en dan ging ze uit. We vonden het leuk om naar haar te kijken als ze zich omkleedde en transformeerde van een wat gewone, doorsnee vrouw naar een vamp met donkere kleuren op haar gezicht en vlammende ogen. Op die avonden kwam ze thuis met een man, altijd dezelfde en wat ze met hem deed … Tja, nu verblikken of verblozen we nergens meer van, maar toen … Oehlala. Dat was pure hartstocht.

Ze heeft hier het langst gewoond en we zagen haar ouder worden, krimpen. Ze ging een beetje gebogen lopen, met een stok. De katten verdwenen. Eerst die zwarte. Die kwam gewoon niet meer thuis. De lapjeskat vond ze een tijdje later verstild in een hoekje op de bank. Daar was ze best verdrietig om. Op een ochtend bleef ze in bed liggen. We vonden het al vreemd dat in de nacht haar ademhaling onhoorbaar werd, maar dat ze niet opstond was nog veel vreemder. Ze heeft hier een best een tijd gelegen voor ze werd gevonden. Het begon al te stinken. We werden leeggeruimd en schoongemaakt. Het duurde best een tijd voor er weer iemand kwam.

Die man was een beetje zonderling. Hij was niet vaak thuis en als hij er was dan schreeuwde hij in zijn telefoon en ijsbeerde tussen ons in. De rolgordijnen bleven dicht dus het was altijd donker. Midden in een tirade stortte hij op de vloer. Gelukkig voor hem werden de geluiden hiernaast gehoord. Hij verliet ons liggend op een brancard. Hij kwam niet meer terug.

Daarna kwamen er steeds anderen. Soms iets langer, meestal kort. Jonge mensen. God, die waren wild. Feestjes met veel harde muziek, vreemde rook die door het grauwe bloemetjesbehang aan ons bleef kleven. Meisjesbillen tegen onze flanken en harde stoten die tot diep in ons hart doordreunden. Rond die tijd kwam ook de eerste vlekken. Dat was een rare tijd, maar ergens toch ook fijn. Een echt thuis waren we niet meer, maar dat wilde en warme vlees in onze armen was een welkome afleiding van de lege stilte die ertussen lag.

Tegenwoordig woont er niemand meer in ons, ook niet in de huizen aan de overkant. We zijn leeg. De straat aan onze voeten is een zooitje. Kapotte fietsen, vuilniszakken, lege spuiten, sigarettenpeuken en ongedierte. Daartussen verlepte meisjes op hoge hakken en mannen met zoekende ogen. Heel af en toe worden we nog gebruikt. Dan slaapt iemand zijn roes uit onder de vervuilde dekens die hier al zo lang liggen dat ze onderdeel van ons zijn geworden. Of dan neemt zo’n verlept meisje een zoekende man mee naar binnen. Wild en warm is het zelden.

Tot een paar dagen terug. Eigenlijk was het heel veelbelovend. Dat meisje was niet verlept. Eerder een frisse wind. Donker, golvend haar, sprankelende ogen. Haar billen waren zacht en rond. Heerlijk. De man was niet zoekend. Hij wist wat hij wilde en hij noemde het meisje Penelope. Dat was niet haar naam. We zagen het aan haar verraste reactie, maar ze speelde het spelletje mee. We vonden hem niet aardig, maar goed, wat weten wij nou van de spelletjes die mensen graag spelen. Ze heeft al onze hoeken gezien. Op handen en knieën. Hij bewerkte haar blanke huid met een riem en ze smeekte hijgend om meer. Hij duwde haar buik en borsten tegen onze vervuilde huid. Dat was prettig. Zij vond het ook prettig, schreeuwde dat ze sneller wilde, harder en dieper. Hij gooide haar op haar rug op de vloer en besteeg haar. In ons middelpunt beukte hij op haar in. Op dat moment veranderde haar smeken in jammeren. Hij propte haar jurkje in haar mond en neukte haar tot moes. We zagen haar ogen veranderen. Ze werd bang en wij vonden het ook niet meer prettig. Schreeuwend noemde hij haar een hoer en een vuile teef. Dat was eng. Echt eng. We geloven niet dat hij schrok toen haar gorgelende ademhaling verdween en haar lichaam slap werd. Toen was ze net als al die andere meisjes. Verlept. Hij verdween en liet haar achter. Nu zien we alleen haar lege, starende ogen en de donkere striemen op haar naakte lichaam. Het rode, verfrommelde jurkje ligt als een bloedvlek tussen haar lippen.

Het zal niet lang duren voor ze haar vinden en wij versierd worden met gele linten.

Het is de zoveelste keer. We worden er een beetje moedeloos van.