Het werk van Sophie


Dag één

Met een zwaar, nog slaperig hoofd duwt Sophie de deur van haar kamer open. Ja, ze hoorde het goed. Stemmen. Die van haar zus Julia herkent ze meteen. De andere? Het is een mannenstem. Zwaar en een beetje schor. Waarom is er een man in haar huis? En waarom zo vroeg? Sophie zet haar blote voeten op de houten vloer van de overloop en leunt een beetje over de balustrade. Ze kan de twee mensen niet zien, maar ze kan nu wel beter horen wat er wordt gezegd en ze hoort de lach in Julia’s stem.
‘Dat is dan geregeld. Heel fijn, het is me al jaren een doorn in het oog.’
Sophie fronst. Wat?
De mannenstem antwoordt. ‘Maakt u zich geen zorgen, alles komt piekfijn in orde. Ik kan morgen beginnen.’
‘Morgen? Waarom niet vandaag?’
Sophie schrikt. Nee, niet vandaag! Ook niet morgen. Nooit.

Ze staat al op de trap. Haar hand glijdt langs de leuning, over het zilverkleurige tape en de zachte sjaals die het kapotte houtwerk beschermen en moeten voorkomen dat splinters in haar huid dringen. De twaalfde tree kraakt gevaarlijk. Julia kijkt omhoog en lacht.
‘Goedemorgen lief zusje, dit is Aart.’
Sophie bromt een begroeting, maar kijkt de man niet aan.
‘Wat is er vandaag?’
Julia zucht en draait met haar ogen. ‘Dat heb ik je verteld. Aart komt je helpen met het achterstallige onderhoud. De trap, de kozijnen, het houtwerk van de veranda, alles eigenlijk.’
Sophie bijt op haar lip en schudt haar hoofd. ‘Dat is mijn werk en ik heb geen hulp nodig, volgens mij heb ik je dat ook gezegd en …’
De man onderbreekt haar. ‘Maakt u zich geen zorgen mevrouw. Uw zuster heeft me verteld wat de bedoeling is en ik zal ervoor zorgen dat niets van de oude staat verloren gaat.’
Nijdig kijkt Sophie hem nu toch aan. De woorden die ze hem toe wil bijten, blijven steken in haar keel. Plotseling is ze zich bewust van haar dunne nachthemd en meteen ook van haar tepels, die zich brutaal en nieuwsgierig oprichten. De man blijft haar vriendelijk aankijken, Julia giechelt.
‘Misschien moet je je even gaan omkleden lief zusje. Aart is hier om te helpen. Jij bent op het moment te druk met je schilderijen. Wees blij dat ik het heb geregeld. Nu kun jij je in alle rust op je werk concentreren.

Sophie draait zich om en stampt naar boven. Weer vergeet ze de twaalfde tree over te slaan en Julia roept. ‘Kijk nou uit! Dadelijk lig je beneden.’

Met een klap gooit Sophie haar kamerdeur achter zich dicht. Helpen! Aart komt helpen! Ze heeft geen hulp nodig. Zo hebben ze het afgesproken. Julia werkt, Sophie blijft thuis zodat ze kan schilderen en het huis kan opknappen. Het huis, dat in veel slechtere staat is dan ze dachten, maar dat geeft niet. Ze kan dit. Als ze eerst maar eens een schilderij afkrijgt. Dat kan ze nu natuurlijk helemaal vergeten. Sophie houdt niet van vreemde mensen, vooral niet van vreemde mannen. Hoe licht hun ogen ook zijn en hoe warrig hun blonde haar ook zit.

De voordeur gaat krakend open en valt weer dicht. De ramen van Sophie’s kamer trillen in hun kozijnen. Ze kijkt naar buiten. Julia loopt het tuinpad af. Bij het scheve hek draait ze zich om en ze zwaait lachend naar Sophie. Sophie steekt haar tong uit. Julia heeft makkelijk praten. Zij verdwijnt zes dagen in de week naar haar oh zo interessante kantoor met oh zo interessante collega’s, terwijl Sophie achterblijft in een huis vol vage herinneringen en een wekelijks uitstapje naar haar therapeut.

Dag twee

Sophie duwt tegen het scheve tuinhek, het hout schuurt over de stenen. Vroeger piepten alleen de scharnieren. De zachte aankondiging deed haar altijd de toen nog stevige trap af hollen. Naar haar vader, die thuiskwam uit zijn werk. Of de postbode, misschien wel met een leuke ansichtkaart vol gebrekkig Engels van haar penvriendin uit Afrika. Vriendinnen van haar moeder. Haar opa en oma. Broers en zussen van haar ouders. Die oom die niet echt een oom was, met de grote Sint Bernard. Het beest moest altijd naar het lage souterrain onder de keuken, vanwege de katten. Later kwamen de artsen en verplegers. Het hek werd uit zijn scharnieren geduwd toen de kistdragers onhandig door de bocht manoeuvreerden. Het was de laatste keer dat haar moeder het huis verliet. Sophie stond op de veranda, naast Julia, schuin achter haar opa en oma, de vochtige neus van de Sint Bernard tegen haar vingers en de hand van die ene oom zwaar en troostend op haar schouders. Haar vader zat binnen, bij het lege ziekenhuisbed.

Misschien moet ze dit de volgende keer aan haar therapeut vertellen. Het lijkt belangrijk. Misschien wel belangrijker dan haar schilderijen die maar niet wil lukken. Veel belangrijker dan de geluiden van brekend hout waar ze vanmorgen mee wakker werd. Ze loopt in de richting van bijna dezelfde geluiden.

Aart staat gebogen over een groot, grillig gat in de veranda, hij steunt met zijn handen op zijn knieën. De witte broek spant strak om zijn billen en dijen. Waarom dragen werklui vaak witte kleding? Haar gedachten verlaten haar mond voor ze er erg in heeft. Hij kijkt haar lachend aan.
‘Omdat we vaak buiten werken, meestal als de zon schijnt. Kijk eens wat ik hier vind.’
Hij springt in het gat, duikt onder de ongeschonden planken en komt weer boven met een groezelig ansichtkaart in zijn hand. Sophie krijgt het koud en blijft heel even als versteend staan, voor ze met een grote stap bij hem is en het stuk karton uit zijn handen grist. Zonder hem aan te kijken loopt ze naar binnen en door naar haar kleine studio aan de achterkant van het huis. Daar leest ze het handschrift met de ronde letters.

Dearest friend, you have to TELL someone!

Wat moet ze vertellen? En waar is de rest van de ansichten gebleven?

Dag drie

Sophie ligt op haar rug op bed, haar handen met de vingers ineengestrengeld op haar buik. Daar is het warm. Ook de huid van haar gezicht is warm. Alsof ze te weinig gedronken heeft vandaag. Heeft ze dat? Ze schudt haar hoofd. Maar ze heeft het wel warm. En dat is zijn schuld!

Hij kwam in haar studio, zomaar, zonder kloppen of andere vorm van aankondiging en hij keek naar de schilderijen.

‘Mooi, je hebt talent.’

Toen had ze pas door dat hij achter haar stond. Geschrokken draaide ze zich om. Ze probeerde het schilderij waar ze aan werkte voor zijn nieuwsgierige blikken te verbergen. Hij merkte het niet en kwam dichterbij.
‘Erg mooi, haast levensecht. Je schildert honden?’
Sophie schudde haar hoofd, hij lachte. ‘Maar je houdt van honden, ik ook. Als kind had ik ook een hond. Geen Sint Bernard, ik geloof dat het een vuilnisbakkie was, maar evengoed een hond.’
Ze fluisterde. ‘Wij hadden geen hond, we hadden katten.’
Hij knikte. ‘Maar die schilder je niet. En die kaarten onder zijn poten? Die lijken op de ansicht die ik laatst vond. Grappig. Je bent echt goed. Wacht, je hebt hier wat …’

Voor ze er goed en wel op bedacht was, lagen zijn vingertoppen tegen haar wang en streek zijn duim over haar huid, iets onder haar oog. Tintelend en warm bleef het gevoel daar liggen, ook toen hij allang verdwenen was met de woorden; ‘Ik ben klaar voor vandaag. Tot morgen.’

Het gevoel ligt er nog steeds. Zijn handen zijn zachter dan ze eruit zien.

Dag vier

Haar therapeut is enthousiast dat ze een schilderij af heeft, maar daar gaat het helemaal niet om en Sophie vertel niet meer, ook niet over de vingers van Aart.

Vannacht droomde ze dat het schilderij tot leven kwam en dat de hond zijn logge kop in haar schoot legde. Ze sloeg haar armen rond zijn nek en werd wakker met tranen op haar gezicht en een vreemde hitte in haar buik.

Dag vijf.

De veranda is klaar en Sophie heeft vijf schilderijen af. Ze schildert wat ze ziet in haar dromen. De dikke, zachte vacht van de hond. Zijn vochtige neus. Jonge meisjesbenen met witte sokken onder een roze rok met stippen. Ansichtkaarten vol ronde letters en met vreemde postzegels.
Wanneer ze een korte pauze neemt en wat eet probeert ze in de buurt van Aart te zijn. Hij werkt aan de kozijnen aan de voorkant van het huis. Bijna liefdevol verwijdert hij het rottende hout. Hij vervangt, vult op en schuurt. Niet met zo’n herriemachine, maar met de hand, zoals ze zelf ook zou doen. Zijn bewegingen zijn doelgericht, maar toch teder en ze kijkt naar zijn vingers. Het plekje onder haar oog begint weer te tintelen. Sophie vlucht naar haar studio en begint aan haar zesde schilderij.

Dag zes

Aart zit op het melkkrukje en wijst naar haar laatste schilderij.
‘Dat is niet de trap naar boven.’
Het zijn de onderste treden van de trap naar het lage souterrain onder de keuken waar de Sint Bernard altijd werd opgesloten.
Sophie laat hem de ruimte zien.
‘Het moest, vanwege onze katten, maar ik vond het sneu. Het was zo’n fijne hond.’
Ze vertelt hem over haar dromen en nog veel meer. Alles wat ze haar therapeut niet vertelt. Over haar penvriendin in Afrika en dat ze niet weet waar de ansichtkaarten zijn gebleven, ook niet waarom ze stopte met schrijven, want dat deed ze, ongeveer een jaar nadat haar vader overleed.
‘Een gebroken hart, dat moet wel. Hij kon niet zonder mijn moeder. Julia en ik bleven achter. Ik was net zestien.’

Haar stem trilt. Ook daarvan weet ze niet waarom. Natuurlijk was het verdrietig, maar dat is het leven soms. Sophie ging studeren, een studie die ze niet afmaakte. Ze wilde liever thuis zijn en schilderen. Praten deed ze niet. Ook niet met Julia.

Aart pakt haar handen en streelt met zijn duimen de binnenkant van haar polsen. Het is een prettig gevoel dat nog lang blijft nagloeien.

Dag zeven

In haar droom is ze zestien en ze zit op haar knieën bij de Sint Bernard in het souterrain. Het gemis om haar ouders is zwaar en ze heeft het gevoel dat de hond de enige is die haar begrijpt. Haar zus Julia ontvlucht elke avond het huis. Sophie vlucht weg bij de hond. Zijn dikke vacht vangt haar tranen op. De trap kraakt, zware werkschoenen en een bezorgde stem. ‘Sophie, ben je hier?’

Dag acht

Ze vertelt Aart dat ze zich stoort aan het schurende geluid van het tuinhek. Diezelfde dag hoort ze Julia niet thuiskomen. Ze is er plotseling, vol verhalen over haar werk en haar afspraakje later die avond. Na het avondeten loopt Sophie naar het hek. Het hangt recht, zelfs de scharnieren piepen niet. Het is een gewoon hek. Zonder herinneringen. Ze werkt tot diep in de nacht aan een schilderij van een scheefhangend tuinhek met erachter de vage verschijning van een paar donkere werkschoenen. Huilend sust ze zichzelf in slaap.

Dag negen

Sophie verhuist haar studio naar het souterrain. Er is minder licht dan in de ruime kamer aan de achterkant van het huis, maar het schilderen vlot er beter en ze heeft het gevoel dat ze juist daar moet zijn. De onzichtbare aanwezigheid van de Sint Bernard hangt troostend om haar heen en maakt later plaats voor die van Aart. Hij houdt haar vast terwijl haar tranen zijn witte shirt doorweken.

Dag tien

Ze zegt haar afspraken met haar therapeut af. Het brengt haar niets. Het huis brengt haar des te meer en naarmate het verval verdwijnt, worden haar herinneringen scherper en haar schilderijen duidelijker. Ze helpen haar met het vertellen van haar verhaal en Aart kijkt en luistert naar het verhaal van ieder schilderij. Het is haar verhaal. Sophie legt de verborgen beelden van het canvas open voor Aart, maar nog meer voor zichzelf. De schemerige hoek van het souterrain. De onderste treden van de trap. De nog jonge meisjesbenen met de witte sokken. De donkere werkschoenen. Door zijn ogen begint ze de verbanden te leggen. Het huis bloeit, haar huid gloeit en haar tranen drogen op.

Na de tiende dag

Sophie staat middenin het souterrain, het voorpand van haar blouse hangt open. Haar borsten zijn zwaar, de huid melkachtig wit. Aart staat achter haar en samen kijken ze naar haar laatste schilderij. Het meisje op het doek kijkt hen over haar schouder aan. Haar blik is open en nieuwsgierig. Ze is naakt, op haar witte sokken na. Al bijna een jonge vrouw, maar nog niet helemaal. Ze zit op schoot bij een man. Ook hij is naakt, maar hij draagt donkere werkschoenen. Zijn grote handen liggen op haar heupen, haar ene hand ligt op zijn schouder. De andere hangt omlaag, langs de stoel, tot bij de kop van de Sint Bernard die zijn vochtige neus in de palm van haar hand duwt.

Het schilderij onthult alles.

Langzaam schuift Aart de blouse van haar schouders en hij trekt met zijn lippen een vochtig spoor langs haar hals. Hij praat zacht.
‘Je hield van hem.’
Sophie zucht.
‘En hij van mij.’

Ze was niet te jong en het was niet fout. Dat is wat anderen haar wijs maakten. Ze vertelden haar dat hij dingen deed die ze niet goed mocht vinden, die ze niet mocht verlangen. Haar herinneringen werden besmeurd en maakten plaats voor dat wat alle anderen vertelden. Haar opa en oma, de broers en zussen van haar ouders. Het mocht niet. Het was fout. Ze is het gaan geloven.

Aart neemt haar borsten in zijn handen en mompelt in haar haren.
‘Jij ben haar.’
‘Ik ben haar en zij is mij.’

Het was liefde. Zij, de man en de hond. En het was echt. De anderen joegen hem weg, samen met de hond. Hij beloofde terug te komen. Hij kwam niet. Het duurde jaren voor Aart kwam.

Hij legt haar op de grond. Zijn vingers maken haar los van wat haar ooit verteld is en brengen de herinneringen bij haar terug. Zijn ogen houden haar vast als hij in haar glijdt en traag begint te bewegen. Sophie slaat haar benen om zijn heupen. Zijn ritme trekt haar mee in de heldere draaikolk van haar heden. Dat wat ze al die tijd dacht te voelen, maakt plaats voor wat ze echt voelt.

Alle dagen daarna

Sophie wordt rozig en warm wakker op de vloer van het souterrain en het eerste wat ze ziet zijn haar eigen, heldere ogen in het gezicht van de bijna jonge vrouw die ze ooit was. Ze draait zich op haar rug en merkt dat Aart verdwenen is. Zijn laatste woorden echoën nog zacht in haar hoofd.

‘Jij had alleen maar een beetje aandacht nodig.’

Ze zucht en kijkt naar het schilderij van de Sint Bernard met zijn grote poten op de ansichtkaarten.
Haar penvriendin uit Afrika had gelijk. Ze had het iemand moeten vertellen. Ze had iemand moeten vertellen dat ze van de man hield en dat de hond hen verbond.

Boven is ze verbaasd door de stilte en ze zoekt Aart. In plaats daarvan vindt ze Julia in de zon op de veranda. Ze kijkt Sophie aan.
‘Dag lief zusje, heb je goed geslapen?’
‘Waar is Aart?’
Julia grinnikt zacht en neemt een slok van haar koffie.
‘Die is hier klaar.’
Sophie schudt haar hoofd. ‘Hij is nog lang niet klaar. Alle deuren moeten nog opgeknapt en de trap. Er is nog genoeg voor hem te doen.’
‘Zijn werk hier is klaar. De rest kun je heel goed zelf.’

Sophie gaat zitten, staat dan weer op en loopt heen en weer over de nieuwe veranda. Julia pakt haar hand en knijpt er zachtjes in.

‘Ga, lief zusje. Het is nog niet te laat om je hart te volgen. Zij die je ooit tegenhielden zijn er niet meer.’


Geschreven voor:

2 reacties

  1. Mooi, heel mooi.

  2. Godsamme!! Wat een prachtig verhaal!! Zie het voor me en het had over mij kunnen gaan PRACHTIG!!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

© 2019 Vlammende verzinsels

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

%d bloggers liken dit: