‘We kunnen hier niet verder mam.’

‘Mam? Slaap je?’

De stem van Emmet overstijgt de trage achtergrondmuziek van moderne liedjes die ze niet herkent en verbreekt haar soezerige warmte. Ze merkt nu pas dat de motor is stilgevallen en opent haar ogen. Via de achteruitkijkspiegel vangt ze de blik van haar zoon. Cornelia glimlacht.

‘Nee jongen, verre van dat, gewoon een beetje aan het dagdromen.’

Hij grinnikt. ‘Met je ogen dicht, tuurlijk. Geef het maar toe, je zat te slapen.’ Dan weer serieus. ‘We kunnen niet verder. Weet je zeker dat het hier is?’

Cornelia kijkt naar buiten. De auto staat op een smalle zandweg tussen het hoog wuivende mais en is tot stilstand gekomen bij een laag muurtje van, zo lijkt het, lukraak gestapelde keien. Haar hart maakt een sprong. Ze knikt, opent het portier en stapt uit.
‘Ik weet het zeker. Ik moet hier lopend verder.’

Haar zoon stapt ook uit, gevolgd door haar schoondochter. Die kijkt haar verbaasd aan.
‘Lopend? Door het maisveld? Op deze schoenen? Nee hoor, we hebben je tot hier gebracht. Je hebt je vast vergist en dat is niet voor het eerst. We zijn al uren aan het rijden en waarom? Genoeg is genoeg. We gaan terug. Emmet, ik zag in het laatste dorp een cafetaria, laten we daar wat gaan eten.’

Cornelia doet of ze haar niet hoort, legt haar hand op het lage muurtje en stapt er dan overheen. Ze maakt zich niet druk om haar schoenen. Ze wist dat ze een stuk zou moeten lopen. De brief was duidelijk. Dezelfde weg als toen. Ze kijkt naar haar zoon en schoondochter die naast de auto zacht staan te ruziën.

‘Emmet.’
Cornelia wacht even en noemt zijn naam nog een keer, iets harder. Het tweetal kijkt haar aan en ze gaat op het muurtje zitten. ‘Het geeft niet. Dit is iets wat ik alleen wil doen. Ga wat eten in dat laatste dorp en kom over een paar uur terug. Ik zal hier op jullie wachten.’
Haar zoon schudt zijn hoofd. ‘Ik laat je hier niet achter. Er is hier niets, alleen mais. Wat als je verdwaalt, wat als er iets met je gebeurt. Nee, we gaan met je mee.’
‘Ik wil niet dat jullie met me meegaan, niet vanaf dit punt. Wat kan er gebeuren, je zegt het zelf. Er is hier niets, alleen mais.’ Ze lacht. ‘En verdwalen zal ik ook niet. Dit muurtje loopt helemaal door de velden, zo ver dat je het niet meer kan zien. Kom over een paar uur terug, als ik hier nog niet ben dan volg je de muur tot je me hebt gevonden.’
Ze staat weer op en knikt geruststellend naar haar zoon. ‘Een paar uur, dat is alles. Neem je vrouw mee uit eten en kom dan terug. Ik wacht hier.’
‘Waarom wil je me niet vertellen wat je hier hoopt te vinden mam?’ Emmet kijkt haar gekwetst aan. ‘Je vertelde me altijd alles.’
Cornelia knikt. ‘En ik zal je alles vertellen, over een paar uur.’

Zonder hem nog aan te kijken draait ze zich om. Ze wil dit alleen doen. Ze moet dit alleen doen. Ze heeft geen idee wat ze zal vinden, maar met iedere stap die ze zet krijgen haar herinneringen vleugels.

~

‘Slaap je?’

Er valt een schaduw over haar heen. Cornelia opent haar ogen en glimlacht. ‘Nee, gewoon een beetje aan het dagdromen.’
‘Waarover?’
‘Jou en ons.’
‘Stoute dromen?’
Ze giechelt. ‘Ook.’

Hij strekt zich naast haar uit en legt zijn hand op haar linkerborst, haar tepel tussen zijn wijs- en middelvinger. Langzaam beweegt hij de vingers naar elkaar toe en weer van elkaar. Haar tepel richt zich op en ze geniet van het gevoel dat meteen richting haar buik kruipt en hoog tussen haar benen begint te kietelen. Ze bijt op haar lip en kijkt hem aan. Zijn ogen zijn licht en in een scherp contrast met zijn zware, donker wenkbrauwen. Hij buigt over haar heen en zet zijn lippen op het harde knopje. Ze zucht en slaakt een opgewonden kreet als ze ook even zijn tanden voelt. Hij gaat op haar liggen en duwt haar benen met de zijne uit elkaar. Hij lacht als haar heupen hem tegemoet komen, maar komt niet in haar. Ze kreunt teleurgesteld.
‘Toe, nog één keer.’
‘Geduld meisje. Vertel me eens. Hoe stout zijn die dromen over ons?’
Ze vertelt het hem en terwijl ze dat doet bewerkt hij haar lichaam met het zijne. Zijn zwaar behaarde borst en buik schuren langs haar huid. Ze voelt zijn erectie tussen haar dijen en klemt ze stevig tegen elkaar in een poging hem daar te houden. Ze fluistert een beetje hijgend.

‘We doen alles. Wat we al deden en nog veel meer. Mijn ogen, jouw ogen. Mijn handen, die van jou. Jouw lichaam. Je bent van mij en ik van jou. Je komt in me terwijl je me aan kijkt, houdt me tegen als ik je dichter naar me toen wil trekken. Je bestijgt me, alsof ik een dier ben en je pint me vast. Zoals je nu doet. Je houdt me in bedwang en ik word heet, nog heter dan ik al ben. Mijn zweet dringt door in de grond onder ons, het gras prikt in mijn huid en je neemt bezit van me. Centimeter voor … nee. Millimeter voor millimeter. Tergend langzaam vul je me op en tergend langzaam laat je me weer leeg achter. Je laat me kronkelen van verlangen, zoals nu en … Oh!’

Zijn hand ligt tussen haar benen. Een vinger, twee, drie glijden tot aan zijn knokkels bij haar naar binnen. Hij roert haar zachte vlees en vindt het plekje dat hij eerder vond. Haar billen huppen van de grond iedere keer dat hij druk uitoefent, zijn hand duwt haar terug. Stevig en vol passie legt hij zijn lippen over haar mond. Gulzig zuigt ze zijn tong naar binnen. Ze tolt onder zijn liefkozingen in haar buik, kreunt zacht om meer. Om alles.

Hij draait haar op haar buik, trekt haar aan haar heupen naar zich toe en buigt over haar heen, zijn mond op haar schouder. Tegen haar naakte huid gromt hij zacht.

‘Ik vind het heerlijk dat je zo geil van me wordt, maar het is nog veel geiler als je dat wordt van je eigen dromen.’

Ze wiebelt met haar billen, kantelt haar bekken alsof ze hem bij zich naar binnen wil trekken. Hij masseert stevig haar zachte vlees en grinnikt.
‘Millimeter voor millimeter?’
Cornelia schudt wild haar hoofd. Ze steunt op haar ellebogen en kijkt over haar schouder.
‘Nee, hard en in één keer. Laat het me voelen. Laat het beest los en neem me. Laat me schreeuwen om meer.’

Hij bestijgt haar, gebruikt haar haren als zijn teugels en berijdt haar. Ze schreeuwt. Ze gilt. Ze krijst om meer. Om veel meer. Niemand hoort haar. Er is niets. Alleen maar mais en een oude kastanjeboom. En zij tweeën.

~

Haar vingers gaan door zijn haren en ze staart naar het wuivende kastanjeblad boven haar hoofd. Hij haalt diep adem, pakt haar hand en drukt een kus in de palm.
‘We moeten gaan, het wordt kouder.’
‘Ik ben zwanger.

Het blijft lang stil en het wordt nog kouder, langzaam. Millimeter voor millimeter verdwijnt de hitte in haar lichaam. Uiteindelijk staat hij op en trekt haar met zich mee. ‘Trouw met me.’
Ze schudt haar hoofd.’ ‘Jij wil niet trouwen.’
Hij trekt haar tegen zich aan. ‘Maar een kind …?’
‘Je wil ook geen kinderen.’
‘Jij wel?’
‘Ik wil dit kind.’
‘Dan wil ik het ook.’
Cornelia schudt haar hoofd en maakt zich los uit zijn omhelzing. ‘Dat zeg je nu, maar over een jaar, misschien twee, dan neem je het me kwalijk. Dan heb ik je vastgelegd en vind je dat je geen kant meer op kunt.’
‘Ik hou van je.’
‘Dan niet meer.’
‘En jij?’

Ze gaat op haar tenen staan en kust hem. ‘Ik zal altijd van je houden.’

~

Cornelia staart naar de grote kastanjeboom en het droge gras eronder. Ze is hier nooit meer geweest, maar toen ze dichterbij kwam werden de herinneringen scherper en haar hart lichter. Ze houdt nog steeds van hem. Ze heeft altijd van hem gehouden.

Na die dag heeft ze hem nooit meer gezien. Ze kregen een lift van een plaatselijke boer en in de achterbak van zijn pick-up hielden ze elkaar stevig vast.
‘Hoe moet het dan met de liefde tussen ons.’
Ze zuchtte diep. ‘Schrijf het me. Stuur me brieven. Vertel het me. Zodat ik over tien of twintig jaar nog eens terug kan lezen hoe jij me hebt lief gehad.’

Ze kreeg een zoon en gaf hem zijn naam, maar er kwamen geen brieven. Ze verborg haar liefde. Er viel niets terug te lezen. Niet na tien jaar. Niet na twintig jaar.

En toen, na dertig jaar …

Een deftige enveloppe viel op haar mat, vol deftige woorden en een smoezelig opgevouwen brief. Ze huilde toen ze las dat hij er niet meer was, maar ze huilde nog meer om de illusie die nu echt verdween. Tot ze de bijgesloten brief openvouwde.

Cornelia,

Kom naar de kastanjeboom en neem de weg die wij ooit namen. Ik ben altijd van je blijven houden en ik zal je vertellen hoeveel.’

Voor altijd de jouwe

Emmet

Ze knielt in het dorre gras onder de kastanjeboom, haar handen op de plek waar ze ooit samen met hem lag. Ze ziet de grote, spierwitte keien en weet zeker dat die er toen niet lagen. Met trillende handen haalt ze de zware stenen van hun plek. Eronder vindt ze een vierkant blik met butsen en deuken. Ze veegt het zand eraf, tilt het deksel op en slaakt een kreet als ze de brieven ziet. Tientallen brieven, duizenden woorden.

Zijn woorden. Zodat ze na al die jaren nog eens terug kan lezen hoe hij haar heeft lief gehad.