Haar onrust groeit en doelloos rijdt ze door de langzaam ontwakende stad. Het bezoek aan Donna en haar man heeft haar niet geholpen. Integendeel. De reactie van Seth heeft haar alleen onrustiger gemaakt. Wat weet hij van Berlijn? Was hij daar ook? Maar ze droeg een masker? Hoe kan hij weten dat …
Ze schudt haar hoofd. Zo groot kan het toeval niet zijn. Maar hoe dan? Kent hij Javier? Heeft hij het hem verteld?

Even maakt de onrust plaats voor woede. Javier heeft het recht niet. Hij heeft haar duidelijk laten merken hoe hij over Minggus denkt en dat hij haar bij hem uit de buurt wil houden, maar hij heeft het recht niet met anderen te praten over Berlijn. Zoë zal het Minggus zelf vertellen en ze zal hem alles vertellen. Als ze hem weer ziet.

Waar is hij? En waarom reageert hij niet op haar berichten. Waarom vergeet hij haar zodra ze weg is? Waarom liet hij haar gaan?

Het rondrijden tempert de pijn in haar borst en ze gaat pas naar huis als de straten alweer donker zijn. Haar slaap is net zo onrustig als de nacht ervoor en wanneer ze de volgende ochtend in de spiegel kijkt, ziet ze haar bleke huid en de donkere kringen onder haar ogen. Haar hart springt opgewonden uit haar borst als haar telefoon gaat en valt teleurgesteld weer terug als ze ziet dat het Javier is. Ze schudt haar hoofd. Eerst Minggus. Ze kan niet naar Javier, niet voor ze Minggus heeft gezien.

Zijn afwezigheid zit in haar, vlak naast zijn aanwezigheid. Afwijzing, naast verlangen. Negatieve gedachten, naast hoop. Doffe pijn, naast de levendige groei die hij in haar naar boven heeft gebracht. Een vat vol tegenstrijdigheden.

Ze schrikt van haar deurbel en verroert zich niet. Javier. Hij wil een antwoord en hij accepteert geen nee, maar het is een nee. Ze kan er niet op in gaan voor ze weet wat Minggus ervan vindt. De bel blijft aanhouden, schel en snerpend. Zoë zucht. Hij moet weggaan en hij, zij moet het afgelopen weekend vergeten. Het kan niet. Niet zonder Minggus. Javier moet dat begrijpen.
Aarzelend loopt ze naar de deur en ze legt haar hand tegen het hout.
‘Ga weg Javier. Ik heb nog geen antwoord.’
‘Cara … Ik ben het.’
Met een ruk trekt ze de deur open. Minggus kijkt haar aan. Zijn gezicht staat bezorgd en zijn hele houding straalt onzekerheid en verdriet uit, maar alles valt weer op zijn plek. Hij is er. Ze wil tegen hem schreeuwen en huilen. Ze wil aan zijn voeten op de grond vallen en hem alles vertellen, alles zeggen. Hij schudt zijn hoofd.
‘Later Zoë. Kom, Janaila ligt weer in het ziekenhuis. Ze heeft je nodig.’

Janaila ligt klein en breekbaar in het veel te grote bed, maar haar ogen lichten op als Minggus met Zoë de kamer binnenkomt en ze reikt naar Zoë’s hand.
‘Mijn zuster. Dank u Meester.’
Ze trekt Zoë naar zich toe en naast zich op het bed. Minggus verdwijnt en Zoë huilt. Ze is de laatste die haar verdriet zou moeten uiten, maar alle onrust en alle pijn van de afgelopen dagen komt los. Janaila houdt haar vast, streelt haar schouders en fluistert troostend. Zachte woorden die haar beloven dat alles goed zal komen. Zoë weet niet hoe lang ze daar zo ligt, maar ze weet wel dat dit ook haar plek is. Janaila hoort bij Minggus, en dus ook bij Zoë. Het kan niet anders.

Ze haalt haar neus op. ‘Waarom hebben jullie me niets laten weten? Ik zocht jullie, ik dacht …’
Janaila sust haar. ‘Ik wist het niet en onze Meester heeft pijn. Hij worstelt. Hij weet het, maar hij kan het niet accepteren.’
‘Wat niet?’
‘Ik word niet beter Zoë. De behandeling slaat niet aan. Morgen start ik met een andere, maar ook dan zal ik niet beter worden. Ik zal me hooguit beter voelen. Hij heeft je nodig, hij zal het alleen niet toegeven. Je moet er voor hem zijn.’
Zoë zucht. Ze wil er voor hem zijn, maar ook voor Janaila. Javier zal iemand anders moeten zoeken. Ze kan niet met hem mee, niet als hij haar elke keer weghaalt bij de mensen die er het meest toe doen. Ze houdt Janaila stevig vast.
‘Ik ga nergens naar toe, Janaila. Mijn plek is hier.’

Na de eerste, nieuwe behandeling, mag Janaila naar huis en twee keer in de week gaat ze terug voor een herhaling. Zoë zit naast haar en zorgt voor haar terwijl Minggus deze uren gebruikt om naar zijn kantoor te gaan. Als hij thuis is, is hij bij Janaila en Zoë wacht tot hij bij haar komt, tot hij haar roept, tot hij haar weer nodig heeft. Al zijn aandacht is nu voor Janaila.

Berlijn ligt ver achter haar, evenals Javier, als een vage, vreemde droom. Janaila zegt dat ze het Minggus moet vertellen, maar Zoë schudt haar hoofd en schenkt een glas sap voor haar in.
‘Nu niet. Hij heeft belangrijker zaken aan zijn hoofd.’
‘Hij zal het willen weten.’

Soms denkt Zoë dat hij is vergeten dat hij haar wegstuurde met Javier. De spaarzame gesprekken die ze met hem heeft, gaan over Janaila en haar hart breekt elke keer als ze de pijn in zijn ogen ziet. Hij weet dat hij haar ooit zal moeten missen. Hij weet het, maar hij weigert het te accepteren en houdt zich vast aan de terugkerende kleur op haar gezicht en het uitblijven van de pijn.

Met een glimlach pakt Janaila het glas sap van haar aan.
‘Wil jij kinderen Zoë?’
De vraag verrast haar. Het is een onderwerp waar ze zich nooit mee bezig heeft gehouden. Ze vond het leuk toen Valerie zwanger was en haar kinderen kreeg, maar ook toen heeft ze zich niet afgevraagd of ze zelf ooit kinderen zou willen.
‘Nee, ik geloof het niet. Ik weet het eigenlijk niet. Ik ben nooit op dat punt in mijn leven gekomen.’
Janaila zucht. ‘Misschien komt dat nog. Ik wilde ze nooit. Meester heeft het er nooit over gehad en ik dacht dat het niet bij onze levensstijl zou passen. Ik twijfel al een tijdje.’
‘Jij wilt kinderen?’
‘Misschien. Het zou fijn zijn en ik zou niet helemaal verdwijnen als ik …’
Zoë valt haar in de rede. ‘Jouw herstel is nu het allerbelangrijkst. Die vraag is er een voor in de toekomst.’
Janaila lacht. ‘Dat weet ik en daar heb ik jou bij nodig.’

Met verbazing luistert Zoë naar Janaila. Twee jaar geleden heeft ze een vriendin van haar ouders, arts en gespecialiseerd in vruchtbaarheidsbehandeling naar de mogelijkheden gevraagd.
‘Het was moeilijk, want ik wilde niet dat Minggus het zou weten, maar ik ben blij dat ik het gedaan heb. Ik heb een vruchtbaarheidsbehandeling ondergaan in een kliniek en er zijn acht rijpe eicellen bij me afgenomen.’
‘Hoe heb je dat voor Minggus verborgen kunnen houden?’
‘Je moet niet boos zijn en Meester mag dat ook niet zijn. Misschien heb ik onbewust aangevoeld dat ik ziek zou worden, ik weet het niet …’
Zoë pakt haar hand. ‘Ik ben niet boos, het lijkt me alleen een pittige behandeling, Minggus moet iets aan je gemerkt hebben.’
‘Meester was twee weken voor zaken in Amerika, ik was bij mijn ouders, zij weten er van en vorige week heb ik samen met hen en een notaris mijn testament opgesteld.’

Zoë is verward. Janaila praat over kinderen en eicellen, nu weer over haar testament. Ze begrijpt het niet. ‘Wat probeer je me nu te vertellen?’

Janaila zucht. ‘Ik zal nooit kinderen krijgen mijn lieve zuster. Mijn lichaam is ziek en mijn leven te kort, maar jij kan mijn kinderen krijgen. Als ik er niet meer ben, zal mijn plek naast Meester voor jou zijn. Het zullen onze kinderen zijn. Van jou, mij en van Meester.’

Verbijsterd loopt Zoë heen en weer. ‘Maar ik wil geen kinderen en Minggus … Je kunt dit niet doen zonder het met hem te bespreken. Ik weet niet of mijn plek naast hem zal zijn. Jij bent zijn alles. Zonder jou …’

De angst grijpt haar bij de keel. Minggus trekt zich nu al terug en dat zal alleen maar sterker worden als Janaila er echt niet meer is. Ze laat zich naast Janaila op haar knieën vallen.
‘Jij bent onze lijm Janaila. Minggus zal zich van me afkeren als jij … en misschien … de artsen zeggen dat je niet meer beter wordt, maar ze zeggen ook dat je nog jaren mee kan als de behandeling aanslaat.’
Janaila pakt haar hand. ‘Als ik er niet meer ben, word jij zijn slavin. Mijn plek is voor jou en het is jouw taak om te zorgen dat Meester zich niet van je afkeert. Hij heeft jou nodig, ook als hij dat zelf niet in ziet en als ik inderdaad nog jaren mee ga …?’ Ze glimlacht. ‘Dan zullen we het bespreken, met Meester en ik zal mijn kinderen geboren zien worden. Jij zal ze voor mij, voor ons dragen en jij zal de moeder van mijn nageslacht en dat van Minggus zijn.’

Zoë fluistert. ‘Je hebt geen idee wat je van me vraagt …’

Janaila knikt. ‘Jawel. Jij bent mijn zuster en de tweede slavin van Meester. Jouw naam komt hoe dan ook in mijn testament. Het zal mijn allerlaatste wens zijn. Meester zal dat ook weten.’
‘Je gebruikt jouw ziekte om mij te manipuleren …’

‘Zoë!’

Beide vrouwen hebben Minggus niet thuis horen komen en Zoë krimpt ineen door de hardheid van zijn stem. Hij had haar net zo goed een klap kunnen geven en dat gevoel gaat in haar lichaam zitten. Ze verlangt naar hem. Naar zijn handen en zijn woorden, hoe hard ze ook zijn. Ze staat op en slaat haar ogen neer.
‘Het spijt me … Minggus.’
Ze wilde Meester zeggen, maar die plek is niet van haar, nog niet …’

De woorden van Janaila hebben hoop en een belofte in haar hart geplaatst. Ooit … Ze wil het niet denken. Veel liever heeft ze haar eigen plek, een tweede plaats. Ze zal nooit de plek van Janaila in kunnen nemen. Zij en Minggus hebben een geschiedenis, veel rijker dan de geschiedenis die zij zelf met hem heeft. Hij zal haar niet accepteren op die plek. Ze zal altijd tweede keus blijven.

Met een donkere blik kijkt hij haar aan. ‘Wacht in de keuken op me.’ Dan, teder tegen Janaila, ‘Hoe voel je je Saya?’
‘Goed Meester. Steeds beter. Deze behandeling maakt me minder ziek en ik voel me sterker.’
Ze pakt zijn hand en trekt hem naast zich op de bank.
‘Zoë heeft u nodig en u mag haar niet verwaarlozen. Zij en ik zijn hetzelfde.’
‘Jij hebt mij nodig.’
Janaila glimlacht. ‘Natuurlijk. Ik heb u altijd nodig en u bent bij mij, maar Zoë is mijn zuster en nog lang niet zo ver, maar ze zal het leren en ze zal groeien. U heeft haar ook nodig.’
Teder streelt hij haar gezicht. ‘Je denkt teveel aan ons. Je moet sterker worden. Zoë redt zich wel en ik ook.’
‘Ik denk veel te weinig aan jullie. Vraag haar naar Berlijn, ze wil het u vertellen en ze wil weten wat u van haar verwacht. Javier laat haar niet met rust.’
‘Ze is hier nodig. Jij hebt haar nodig.’
Ze schudt haar hoofd. ‘U bent er en ze komt weer terug, maar u hebt haar naar Javier gestuurd en ze mag niet stil blijven staan. Ze moet blijven groeien. Dat weet u ook. Nu zet u haar in de wachtkamer en dat is niet eerlijk. Zoë verdient het en u moet haar laten weten dat ze altijd bij u terug kan komen, wat er ook gebeurt. Javier is enkel een zijpad. Het zal haar vertellen wat ze nu nog niet zeker weet.’
Minggus drukt een kus in de palm van haar hand. ‘En dat is?’

‘Haar plek is naast u Meester, samen met mij. Dat ik nu ziek ben, verandert daar niets aan.’
Ze legt haar hoofd tegen zijn schouder. ‘Ik zou nu graag wat slapen. Vind u het goed dat ik hier blijf liggen?’

Hij knikt, trekt een deken over haar benen en staat op. ‘Ik zal met Zoë praten en ik zal haar zeggen dat ze je niet onnodig moet vermoeien.’
‘Dat doet ze niet en u moet niet alleen met haar praten. U moet haar ook laten voelen en u moet haar laten zien hoe het kan zijn.’

Minggus drukt een kus op haar voorhoofd en laat haar achter. Janaila zucht diep en duwt haar tranen terug. Hij heeft haar zoveel gegeven, maar ze wist dat het niet voor altijd zou zijn. Ergens heeft ze altijd geweten dat ze niet oud met hem zal worden en ze begrijpt nu waarom Zoë op zijn pad kwam. Niet om haar van haar plaats te stoten, maar om haar plek in te nemen als de tijd daar is. Ook dat is haar laatste wens. Tot die tijd zullen ze als zusters naast dezelfde Meester staan.


Bovenstaande verhaal is een hoofdstuk uit het achtste seizoen van Gaisha’s Zoë. Als je wilt weten wat er aan voorafging en hoe het verder gaat volg dan de link hieronder en laat je beroeren door haar verhaal vol ondeugende, stoute en soms zelfs schokkende belevenissen.