Veertig maal veertig

huldraOp handen en voeten beweegt ze zich door het bos. Zacht gras kietelt langs haar benen en buik. Onder haar handen voelt ze dor blad verpulveren en laaghangende takken buigen langzaam weg als ze eronder door kruipt. Ze ruikt de mensen nog voor zij ze ziet, de scherpe geur van de man stijgt boven de andere geuren uit. Om haar heen beginnen de hoge stemmen opgewonden te praten. ‘Daarheen… je moet daarheen.’

Ze houdt stil, kijkt over haar schouder en maakt een sissend geluid. ‘Stil! De mensen kunnen mij niet zien, maar jullie…’
De gedrongen gestaltes achter haar duiken in elkaar, maar blijven haar zacht fluisterend volgen. ‘Kijk en kies, het is tijd, het is te lang geleden.’
Gehurkt loert ze door het laaghangende blad van de grote beuk waar ze zich achter verschuilt. Ze hoeft niet bang te zijn dat de mensen haar zien. Zij bepaalt wanneer ze haar op zullen merken en tot die tijd kan ze zich onder hen begeven, zonder bang te zijn ontdekt te worden. Het is een leuk tijdverdrijf. Ontelbare keren heeft ze grote, stoere mannen de schrik van hun leven bezorgd door plotseling bij hen op de schouder te springen of bij ze op schoot te kruipen. Ze grinnikt als ze er aan terugdenkt. Naast haar klinkt de boze stem van Morf, de oudste van de Jötunn. ‘Geen spelletjes Huldra. Het moet vanavond.’
Ze schokt met haar schouders. Omdat het moet, wil ze niet. Het is haar spel, niet dat van Morf. De Jötunn hebben niets over haar te vertellen. Ze slaakt een hoge kreet als zijn zware hand in haar nek terecht komt en haar tegen de grond duwt. ‘Vanavond Huldra! Begrepen!’
Huldra blaast boosaardig. ‘Vanavond. Het is me duidelijk!’
Ze wil het niet, en het zal pijn doen. Nu de Jötunn haar spel overnemen, zal het pijn doen. Niet het spel zelf. Het spel is plezierig, heet en geil, maar daarna zal het koud, pijnlijk en donker zijn.
De adem van Morf briest in haar gezicht als hij haar overeind trekt. Hij ruikt naar rottende kadavers. ‘Je bent veel te vrij Huldra. Je weet waar je taak ligt.’
Ze draait met haar ogen en schudt zich los. De Huldu zijn groot genoeg, talrijk. Ze hebben geen aanwas nodig. Morf blijft haar met een donkere blik aankijken en ze slaat haar ogen neer. ‘Ik ga al… maar daarna laten jullie me met rust!’
Hij gromt. ‘Daarna laten we je voorlopig met rust. Heb je gekozen?’

De man is jong, en zijn gespierde lichaam is bedekt met een zachte waas van roodbruin haar, als een beer. Ze kan zijn levenslust bijna proeven. Hij zal voldoen en haar het genot geven waar ze naar verlangt. Ze zal hem niet hoeven doden.
Morf knikt als ze hem aanwijst en snuift afkeurend. Hij heeft een hekel aan mensen. Huldra lacht hem uit. De Huldu stammen af van de mensen en ze hebben hen nodig om het volk sterker te maken. Zonder het sterke, jonge zaad van de mannen zullen ze langzaam zwakker worden, maar de Huldu zijn mooier dan de mens. Een schoonheid die haar vanavond weer goed van pas zal komen.
Morf bromt wat naar de andere Jötunn en de fluisteringen druipen af. Met priemende ogen kijkt hij haar aan. ‘Kom naar ons toe als het gedaan is. We zullen je vinden als je het niet doet.’
Even laat ze haar tanden zien, maar buigt dan snel haar hoofd en knikt. ‘De vossen zullen janken als het gedaan is, dan kom ik terug.’
Morf knikt. ‘Zorg dat de man je staart niet ziet.’
Met een sierlijke sprong laat ze hem staan en ze doet net of ze zijn opmerking niet gehoord heeft. Ze is geen beginneling. Nog nooit heeft een mens haar staart gezien. Ze zal hem moeten doden en het genot aan zich voorbij moeten laten gaan. Huldra laat het genot nooit voorbij gaan. Ze weet hoe ze haar staart met camoufleren.

Laag over de grond sluipt ze naar de groep mensen en ze hoort de donkere stemmen, de taal die ze spreken. Ze draait haar tong in haar mond. Het is geen moeilijke taal en ze begrijpt ieder woord dat gezegd wordt, maar de klanken zijn soms moeilijk te maken. De man van haar keuze, luistert naar de naam Einar en zacht laat ze de letters over haar tong rollen. Ze blijven kleven en smaken zoet. Huldra likt langs haar lippen. Hij zal haar bekoren.

Het kamp dat de mensen hebben opgeslagen wordt rustiger en behoedzaam kruipt ze dichterbij. De nacht die de slaap brengt. Een slaap die er vredig uitziet en waar ze zich over verwonderd. De uren die de mensen aan zich voorbij laten gaan. Ze beseffen niet dat de nacht nog mooier is dan de dag.

Even gromt ze als ze de dode vachten onder de roerloze lichamen ziet. Vrienden uit het woud die nooit terugkeerden van de jacht. Mensen zijn hardvochtig.

Met een wilde beweging van haar hoofd schudt ze haar haren los en duwt haar staart eronder. De man ligt naast een oude boomstronk. Zijn borst gaat rustig op en neer en zacht spreekt ze zijn naam uit. ‘Einar…’
Ze herhaalt het woord, gebruikt het water uit de nabijgelegen beek om de klanken helder te maken en roept de zacht ruisende wind om het te laten zingen. Hij begint onrustig te draaien, zijn ademhaling gaat sneller en op het moment dat ze met haar gezicht boven dat van hem hangt, schieten zijn ogen open. In één snelle beweging heeft hij haar bij haar schouders gepakt en voor ze weet wat haar overkomt ligt ze onder hem. Hij drukt het koele metaal van zijn mes tegen haar keel en ze voelt zijn hartslag, zijn sterke spieren, zijn nog slappe lid. Ze lacht zacht. Snel en krachtig. Ze heeft de juiste keuze gemaakt en ze legt een vinger tegen zijn lippen. ‘Stil Einar, of wil je dat de anderen ontwaken… dan moet je me delen… kom.’
Zachtjes blaast ze in zijn gezicht en zijn grip verslapt, het mes valt stil in het dorre blad. Huldra knikt, kruipt onder hem vandaan en trekt hem overeind. ‘Mooie mensenman… deze nacht ben ik van jou.’

Hij volgt haar met een gejaagde ademhaling en een wilde blik in zijn ogen. Zingend neemt ze hem mee naar de bemoste oever van de beek en ze trekt hem het heldere water in. ‘Kom Einar, laat me voelen wat voor een man je bent.’
Hij stort zich op haar met een vuur dat ze nog niet eerder bij de mensen heeft gezien. De blik in zijn ogen is heet en verlangend en slaat op haar over, wakkert haar begeerte nog meer aan. Haar sterke vingers scheuren aan de stof van het vest dat rond zijn schouders hangt. De haren op zijn borst zijn zacht, zijn heupen smal en zijn armen hard als de stam van een eik. Ongeduldig zuigt hij zich vast aan haar mond en zijn handen onderzoeken wild de plooien en de welvingen van haar lichaam. Hij hijgt. ‘Wie ben je? Hoe kom je hier?’
‘Niet praten Einar. Neem wat van jou is.’
Hij stelt haar niet teleur, neemt alsof ze daadwerkelijk de zijne is en op het moment dat hij zijn lichaam als een bezetene tussen haar sterke benen stoot en moeiteloos haar kloppende opening vindt, weet ze dat ze alleen nog maar van hem kan zijn. Deze beer van een mensenman. Zijn vuur en zijn hartstocht. Het is waar ze al die jaren naar op zoek is geweest, wat ze zocht in de andere mannen, wat ze uit hen probeerde te persen, te zuigen, te lokken.
Ze slaakt een kreet als ze hem naar binnen voelt dringen en slaat haar benen om zijn smalle heupen. Ze neemt hem mee in het ritme van de dans en beweegt deinend over de hele lengte van zijn harde lid. Kort laat ze hem los, om hem meteen weer zuigend naar binnen te trekken en ze sust hem als hij kreunt. ‘Niet te snel mooie man, we hebben de hele nacht.’
Ze verdwijnt in hem, en hij verdwijnt in haar. Hij is onstuimig, tegelijk teder. Wild en zacht en haar huid gloeit waar zijn handen haar aanraken. Haar tepels groeien onder zijn vingers en de zachte opening van haar vlees bonst verlangend als hij zijn tong bij haar naar binnen duwt en zich vastklemt alsof hij haar zou kunnen eten. Hij legt haar voorzichtig op de glanzende rotsen en bestijgt haar met een overgave die haar duizelig maakt. Ze zucht, ze hijgt en ze schreeuwt als hij haar keer op keer tot grote hoogten weet te brengen. Ze wil niet dat het stopt. Ze wil dat hij voor altijd doorgaat.
Met zachte strelingen remt ze hem  af en ze baadt hem in het koele water van de beek tot ze de hitte af voelt nemen, dan klimt ze weer in hem. Ze laat zich over hem heen zakken tot zijn ademhaling verraadt dat hij zijn zaad in haar wil planten. Keer op keer houdt ze hem tegen.
‘Nog niet Einar… nog niet.’
Haar keel is droog en rauw van de geluiden die ze maakt en met haar tong likt ze de tranen weg die over zijn gezicht stromen. Smekend probeert hij haar vast te houden, haar te dwingen hem de verlossing te geven. ‘Alsjeblieft, laat me…’
Huldra werpt zich om hem heen en duwt zijn gezicht tegen haar borsten. Met een diepe zucht slaat ze haar gezicht op naar de lucht en verschrikt ziet ze dat de dageraad zijn opmars maakt. De Jötunn wachten op haar en Morf zal woedend zijn als ze niet voor de zon opkomt terug is. Ze kust de oogleden van Einar en fluistert zacht in zijn oor. ‘Toe maar Einar… vervul me met je vuur, laat het komen, laat het stromen…’
Zijn rauwe schreeuw doet de vogels opvliegen en haar spieren melken hem leeg met iedere stoot die hij in haar vlees doet. Haar nagels slaan zich in zijn huid als zijn bewegingen overgaan in spastische schokken en met haar hoofd in haar nek geeft ze de woudbewoners het teken waar ze op wachten. Als ze Einar loslaat, valt hij uitgeput aan haar voeten en voorzichtig buigt ze zich over hem heen, ze strijkt het vochtige haar uit zijn gezicht. ‘Ik moet gaan Einar, maar ik kom terug. Ga hier niet weg voor ik je weer gevonden heb.’

Ze  verdwijnt in de nevel die plotseling vanuit het water opstijgt. Als ze zich pijlsnel door het woud beweegt voelt ze de verscheurende pijn in haar buik opzetten. Morf wacht op haar bij de grote wortels van de rode beuk. ‘Je hebt je tijd genomen Huldra.’
Ze jammert hartverscheurend en duwt hem aan de kant. Haar eigen lichaam lijkt haar uit elkaar te willen trekken en het licht van de opkomende dag doet pijn aan haar ogen. Ze grauwt en blaast naar de vrouwen van de Huldu als ze haar ondersteunen en op het weelderige bed van jonge twijgen helpen. Huldra kruipt op handen en knieën en voelt met iedere ademteug haar buik opzwellen. Ze zucht en schreeuwt, kermt en steunt. In haar lijf voelt ze de bewegingen van het nieuwe leven dat razendsnel in haar groeit. Het leven dat haar zal verscheuren eer ze weer mag groeien.

Bezweet ligt ze op haar rug. Haar ademhaling zwoegt en haar borsten deinen op iedere beweging die ze maakt. De Hulduvrouwen sporen haar aan, roepen het leven dat in haar is gegroeid naar buiten. Een leven dat naar buiten wil. De levenslust van Einar die ze voelt en die door het nieuwe leven stroomt. Ze neemt een grote hap lucht, zet haar kin op haar borst en duwt haar voeten tegen de handen van de vrouwen. Nog eentje, nog eentje maar…
Gejuich en gezang breekt los als het kleine, natte lichaam uit haar opening glibbert. Het leven dat Einar een halve dag geleden in haar schoot plantte, is volgroeid tot een nieuwe aanwinst voor het volk. Morf komt dichterbij en neemt de baby over van de vrouw die het opving. Het kindje huilt  en hoog tilt hij de baby boven zijn hoofd. Huldra kijkt naar het rode, rimpelige gezichtje. Een beeld dat ze zoveel vaker heeft gezien. Een beeld dat haar nooit eerder raakte. Ze hoort de Jötunn lachen als de stem van Morf luid door de holle boom klinkt. ‘Een jongen! Een nieuwe man voor het volk en we noemen hem…’
Huldra haalt diep adem. ‘Ik noem hem Orsin!’
De figuren rond het bed houden hun adem in en langzaam laat Morf de baby zakken. Woedend kijkt hij Huldra aan. Ze strekt haar armen en komt op haar knieën overeind. ‘Ik noem hem Orsin, de beer, zoals zijn vader. Mijn zoon.’
‘Ongehoord!’
‘Schande.’
Huldra doet of ze het niet hoort en neemt het kind tot zich. Ze drukt het aan haar borsten en geeft het ruimte als het naar haar gezwollen tepels hapt en gulzig begint te zuigen. In haar buik voelt ze de spieren ritmisch samentrekken en de wonden in haar binnenste helen. Uitdagend kijkt ze Morf aan. ‘Mijn zoon. Een mensenkind. Niet van de Huldu. Niet van jou. Van mij.’
Ze duwt haar gezicht tegen het zachte, roodbruine haar van haar zoon en snuift zijn geur op. Het is de geur van haar en Einar. Helder water, vochtig mos, warme stenen. Haar zoon die met zeven manen volwassen zal zijn als hij onder de invloed van de Jötunn blijft. Hij zal zijn vader nooit kennen en hij zal onzichtbaar moeten blijven voor de mensen. Haar prachtige mensenzoon.

Ze drukt Orsin dicht tegen zich aan en springt soepel op haar benen. Lachend kijkt ze Morf aan.
‘Einar wacht op mij. Ook hij is van mij en jij zult nooit meer iets over mij te vertellen hebben. Vanaf nu bepaal ik zelf wanneer het tijd is.’
Voor de Jötunn haar kunnen grijpen, verdwijnt ze in een dichte nevel en snelt door het bos. Ze kijkt naar Orsin en ziet de gekneusde huid rond zijn ogen wegtrekken, zijn haren langzaam dikker worden. Hij legt een handje op haar borst en opent zijn ogen. De ogen van Einar. Hij zal weten dat het zijn zoon is en zodra hij de woorden heeft uitgesproken zal Orsin een echte mensenbaby zijn. Niets zal hem nog kunnen deren.
Ze komt neer bij de beek waar ze Einar uitgeput achterliet en kijkt in paniek om zich heen als ze hem niet ziet. De geluiden uit het bos komen achter haar aan. Woedende stemmen van de Jötunn en Morf die haar aan haar taak herinneren, haar geboorteplicht. Huldra heeft de baby een naam gegeven en dat recht heeft alleen de allerhoogste. Ze zullen haar doden en Orsin zal de rest van zijn leven haar straf met zich mee dragen. Ze zullen hem niet verstoten, maar ze zullen hem uitbuiten. Ze zullen hem gebruiken om mensenbaby’s te roven en hij zal jonge maagden naar de Jötunn moeten leiden. Het genot dat Huldra mocht zoeken, zal hij nooit kennen. Hij zal vaderloos en naamloos zijn.

Ze rent zonder dat haar voeten de grond raken, ziet het woud als een groene schim aan haar voorbij gaan. Al die tijd roept ze Einar en drukt ze Orsin stevig tegen zich aan. Zijn armen worden molliger, zijn benen sterker, zijn buikje ronder. Hij groeit alsof hij de snelheid van haar vlucht bij probeert te houden.
Het geurspoor eindigt bij het dorp van de mensen. De plek waar ze nooit kwam en waar ze niet mag komen. Huldra schudt haar haren rond haar naakte lichaam en over haar staart en wandelt langzaam naar het stoffige middenplein met de waterput. ‘Einar! Ik ben terug! Kom bij me en maak kennis met je zoon.’
Mensen verzamelen zich om haar heen, drommen samen en dringen haar dichter naar de put. Ze slaat haar armen beschermend om Orsin heen. ‘Ik wil Einar. Breng me bij Einar.’
Mensen wijken uiteen als hij naar haar toe komt lopen. Groter en breder dan ze zich herinnert en Huldra realiseert zich plotseling dat de tijd bij mensen anders loopt. Hij is ouder dan hij gisteren was. Zijn ogen bekijken haar wantrouwend. ‘Wat wil je. Wat kom je doen.’
Het vuur in zijn ogen spreekt zijn bijtende woorden tegen en ze kan het kloppen van zijn lichaam voelen. Het harde verlangen dat op haar heeft gewacht. ‘Ik ben teruggekomen. Ik heb gezegd dat ik terug zou komen.’
Einar lacht honend. ‘Ik heb op je gewacht. Veertig dagen en veertig nachten. Je kwam niet.’

Veertig maal veertig dagen. Het lot van de Hulda in de mensenwereld. Het lot waarvan niemand precies weet welke dat is. De verhalen die verteld worden tijdens de maandansen. Ze zijn allemaal anders. Huldra schudt haar hoofd. De woorden van Einar zullen Orsin veilig stellen. Ze kijkt de man aan. ’Ik ben er nu en ik ben van jou. Je hebt me genomen en ik breng jouw zoon.’
Mensen slaken geschokte kreten als ze haar haren van haar lichaam veegt en haar naaktheid laat zien. Einar kijkt naar de forse peuter in haar armen en zijn ogen worden groter. Huldra tilt Orsin omhoog. ‘Jouw zoon Einar. Ik noemde hem Orsin.’
Orsin lacht naar de starende man en strekt zijn mollige armpjes naar hem uit. Gespannen wacht Huldra op de reactie van Einar. Het moment dat hij Orsin accepteert of afwijst. Ze voelt de woede van de Jötunn dichterbij komen en de tijd lijkt stil te staan. Huldra ziet de ogen van Einar zoeken naar het bewijs van haar woorden. Zijn zoon. De zoon van de bruinrode beer die dacht dat hij in het woud een vreemde droom had, een hete droom waarin hij werd bezocht door een vurige bosnimf. Een droom die hem uitgeput liet ontwaken en hem liet wachten op haar terugkeer. Eindelijk is ze teruggekomen. Hij lacht en pakt de peuter van Huldra aan, tilt hem hoog boven zijn hoofd en draait hem rond zodat iedereen hem kan zien. ‘Zie hier, de zoon van Einar. De jonge houtskoolmaker.’
Het blijft even stil, maar dan beginnen de mensen te juichen. Einar trekt Huldra tegen zich aan. ‘De zoon van de houtskoolmaker en de bosnimf. Mijn bosnimf.’
Hij duwt zijn mond op die van haar en zijn hitte slaat meteen door zijn lichaam. Met een kreun klampt ze zich aan hem vast. ‘Jouw bosnimf. Voor altijd jouw bosnimf.’

Diezelfde avond zullen Huldra en Einar de huwelijksbelofte naar elkaar uitspreken en in de kleine kerk van boomstammen zal de priester hun beloften zegenen. Terwijl Orsin aan haar voeten zit te spelen, bereidt Huldra zich voor. Vriendelijk maar beslist slaat ze de hulp die de dorpsvrouwen haar aanbieden af. Ze kan zich niet laten zien, ze zullen haar ware gedaante kennen en ze zal ze moeten doden. Pas als het huwelijk is voltrokken zal ze één van hen worden, pas dan is ze veilig.

In het gladde water van het bad bekijkt ze zichzelf en ze kamt haar lange haren, streelt haar blanke huid. Onwennig drapeert ze het witte kleed dat de vrouwen voor haar hebben klaargelegd, rond haar lichaam. De stof is licht en danst zacht tegen haar huid als ze zich door de kamer beweegt. Orsin volgt haar met zijn ogen en klapt in zijn handjes. Trots tilt ze hem op en ze drukt hem tegen zich aan tot hij begint te spartelen. ‘Je bent nu een mensenkind Orsin, maar mooier en slimmer dan alle anderen. Je vader zal je zijn vak leren en jij zult de beste worden. Jouw geslacht zal sterk worden en geliefd. De Huldu zullen over je zingen. De Jötunn zullen bang voor je zijn.’
Ze neuriet zacht terwijl ze zich verder klaarmaakt en Orsin in de zachte doeken wikkelt die die mensenkinderen dragen. Hij protesteert en ze drukt een zoen op zijn haren. ‘Je moet eraan wennen mijn zoon. Met een paar dagen weet je niet beter.’
Met Orsin in haar armen staat ze tegenover Einar en ze kijkt in zijn ogen als hij haar belooft voor altijd bij haar te blijven. Aan zijn arm loopt ze naar de kerk waar de priester zijn zegen over de woorden uitspreekt. De jonge berkentwijg wordt in de tobbe helder water gedoopt en met drie slagen boven de hoofden van het jonggehuwde stel, worden ze uitgeroepen tot man en vrouw. Op het moment dat de laatste druppel water hen raakt, voelt Huldra haar staart terugkruipen in haar lichaam. Ze glimlacht als ze in de verte de Jötunn woedend hoort krijsen.

Het ritme van de mensen kost haar moeite en de nachten duren lang nu van haar verwacht wordt dat ze bij Einar blijft en met hem rust. Ze houdt hem wakker met haar lichaam en hete hartstocht. Bij elke dageraad zet ze met haar nagels een kleine streep in de zachte klei waar de kieren van het huisje mee gedicht zijn. De verhalen van de Hulda houden haar bezig. Het lot wat haar te wachten staat, het heilige getal veertig. Veertig maal veertig. Veertig dagen, veertig nachten. Haar hart wordt zwaar als ze zich bedenkt dat ze terugmoet, al is het maar even. Ze moet een manier zien te vinden om Einar te vertellen dat ze terug zal komen. Dat ze soms weg moet, maar dat ze altijd weer terug zal komen. Elke zonsondergang voelt alsof ze een beetje afscheid moet nemen. Ze wil niet weg. Ze wil zelfs niet heel even weg.
Wanneer Orsin in zijn zachte bedje ligt te slapen, is ze bij Einar. Ze kijkt naar hem als hij aan het werk is en dikke stammen hout in een metalen koker in het vuur legt. Ze ziet hoe zijn handen zwart worden als hij het geblakerde hout bewerkt en ze lacht als hij met zijn besmeurde vingers tekeningen maakt op haar lichte huid. De passie die hij voor haar voelt is onveranderd, maar de liefde die hij voor Orsin voelt is groter. Elke nacht bestijgt hij haar met de woorden dat hij meer zoons in haar wil planten. Zoons en dochters. Huldra streelt hem, spreidt haar benen voor hem en laat zijn hete zaad in haar buik stromen. Orsin zal de enige zoon blijven, het enige kind. Meer liefde wenst Huldra niet te delen.

Op een ochtend maakt Einar haar vroeg wakker. De schaduwen zijn nog kort en de vogels zijn nog stilt. Hij draait een haarlok rond zijn vingers en duwt haar hoofd naar zijn harde lid. ‘Wakker het vuur aan mijn nimf, des te sneller zal ik terug zijn.’
Huldra neemt hem in haar mond, zuigt hem harder en masseert de zachte top van zijn stam met haar tong. Hij stopt haar voor hij zijn zoute lading in haar mond kan legen en kreunt.
‘Niet verder mijn vrouw. Laat me het verlangen voelen en wacht op mij. Laat je niet bekoren door de andere mannen. ze loeren op je. Ik heb het gezien.’
Ze klimt op hem, brengt hem vlak bij het punt en laat hem weer los. Hij lacht schor. ‘Kleine heks, je betovert me keer op keer.’
Nog een zoen, handen die zoeken naar warme lichaamsdelen, dan rukt hij zich los.
‘Ik moet gaan.’
Huldra houdt hem stevig vast, duwt haar gezicht tegen zijn harige borst. ‘Wanneer ben je terug?’
Met een lach maakt hij haar armen los. ’Een dag, misschien twee.’
Ze zucht diep. ‘Misschien ben ik er niet, misschien kun je mij niet vinden. Maar ik kom terug. Je weet dat ik altijd terug kom.’
Hij bijt ruw op haar lip. ‘Natuurlijk ben je er wel, jij moet nergens anders zijn dan hier.’
‘Maar als ik er niet ben…’
‘Je bent er. Ik heb je genomen. Jij bent van mij.’ Hij buigt zich over Orsin en streelt het dikke haar van de jongen. ‘Pas op mijn zoon.’
Ze kijkt hem na als hij met een grote zak over zijn schouders het dorp verlaat en voegt zich niet veel later bij de andere vrouwen en spelende kinderen bij de beek. De zon staat hoog en ze laat haar gezicht verwarmen terwijl ze dikke aren van het koor fijnstampt.
Morgen zal ze gaan. De zachte klei telde vanmorgen achtendertig strepen, morgen is de negenendertigste dag. Ze hoeft maar één etmaal weg te zijn. Het lot dat door de Hulda bezongen wordt zal aan haar voorbij gaan.

Ze wordt wakker van de eerste vogels en zoals elke ochtend zoeken haar handen het gezwollen geslacht van Einar. Ze schrikt even als ze hem niet vindt, zucht dan opgelucht omdat ze zich herinnert waar hij is. Nog even en hij zal weer bij haar zijn. Met haar nagel zet ze een streep in de zachte klei en met haar vingers telt ze alle voorgaande strepen. De negenendertigste dag.
Voorzichtig buigt ze zich over Orsin en zacht blaast ze in zijn gezicht om hem wakker te maken. Hij slaakt kleine, ontevreden kreetjes als hij zijn ogen opent. Ze wacht op de lach die hij haar elke ochtend weer schenkt en schrikt als zijn ogen wijd open gaan en hij het op een erbarmelijk gillen zet. Zijn armpjes maaien wanhopig in de lucht en hij weert haar af als ze hem op wil tillen. Zacht probeert ze hem te sussen, maar haar keel is droog en haar stem kraakt als die van een oude vrouw.
Met gulzige slokken drinkt ze van de nap koud water en ze wil de nap weer in het water duwen als ze haar weerspiegeling ziet. Ontzet wacht ze tot het water glad trekt. Ze ziet een lelijke, oude vrouw, met scheve tanden en een dunne bos, vaalbruin haar. Ze kijkt naar haar rimpelige handen met de donkere vlekken en onrustig trekt ze het dunne slaapkleed van haar lichaam. Haar borsten hangen als twee uitgedroogde maagzakken tegen haar lichaam, haar buik is bol en rimpelig en haar benen zijn krom en mager. Haar hart slaat een slag over. Het lot van de Hulda. Ze heeft zich vergist. De veertigste dag moet al voorbij zijn. Ze heeft zich vergist! In paniek gaat ze terug naar Orsin, ze negeert zijn gegil, tilt hem op en drukt hem tegen zich aan. ‘Voel dan, ruik… ik ben het… Het vlees waar je in bent gegroeid, het lichaam dat jou liet leven… Jouw moeder… Voel dat ik het ben.’
Ondanks haar pogingen hem te troosten, blijft hij krijsen en ze houdt hem voor haar gezicht, schudt hem zachtjes heen en weer. ‘Kijk dan! Je moet me herkennen. Je moet zien wie ik werkelijk ben!’

Ze springt overeind als met veel kabaal de houten deur openslaat en Einar in de opening staat. Met grote, wilde ogen kijkt hij haar aan en ze ziet de woede in zijn ogen ontvlammen. Hij vliegt op haar af. ‘Heks! Ga weg van mijn zoon, raak hem niet aan!’
Met één ruk van zijn arm ligt ze aan de andere kant van de kamer en dreigend komt Einar op haar af, boven zijn hoofd de bijl die hij gebruikt om de dikke takken voor zijn houtskool te kappen.
‘Waar is mijn vrouw, mijn Nimf! Wat heb je met haar gedaan, jij lelijke Gyger!’
Huldra wil roepen dat zij het is, dat zij zijn nimf is. De enige en nog steeds. De woorden komen niet. Enkel zwakke, krassende geluiden en verbijsterd ziet ze de scherpe bijl op haar hoofd af komen. Ze ziet zijn woedende gezicht, hoort het gekrijs van haar zoon en vlak voor het zware gereedschap in haar schedel landt, herinnert ze zich één van de verhalen van de Hulda toen ze werd uitgeroepen tot de nieuwe Huldra van het volk.

‘… veertig dagen heeft zij, om terug te keren naar haar volk. Doet zij dit niet dan zal het woud terugnemen wat zij haar geschonken heeft. Haar jeugd, haar passie en haar schoonheid. Met de snelheid van veertig maal veertig dagen zal de magie terugkeren naar het woud en zal een nieuwe Huldra gekozen worden. De vergane Huldra zal niets meer zijn dan een Gyger. Een oude, monsterlijke heks.’

4 reacties

  1. Heerlijk mysterieus en opwindend verhaal in Tolkien / Rowling achtige sferen.

  2. Jeetje, wat een verhaal. Hier moet/wil ik nog een keer op terugkomen.

    Gr. Lex

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

© 2019 Vlammende verzinsels

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: