Bestand_000-1

Zijn woorden doen haar inéénkrimpen. ‘Je komt toch niet uit een ei!’
Ironisch… hij is degene die uit een ei komt… althans, het karakter dat hij moet voorstellen komt uit een ei. Het verhaal van Peter Pan. Het is niet zo romantisch als het sprookje. Peter Pan. De jongen die geen jongen is. De vogel die geen vogel is. Verstoten door de enige moeder die hem wilde hebben. Gekropen uit een ei. Als hij zich had verdiept in de geschiedenis van zijn personage dan had hij dat geweten. De kans is groot dat hij dan voor een andere outfit had gekozen, en haar had opgedragen een passende outfit voor zichzelf te vinden.
Peter Pan… de jongen die niet op wil groeien en zijn rechterhand. Het kleine, lichtgroene, blonde elfje.
Dit is zijn avond. Zij mag mee. Zij moet mee. En ze moet toekijken hoe hij zich overgeeft aan de onvolwassen verlangens die horen bij de jongen Peter Pan.
Hij ziet er belachelijk uit. Ze heeft het de afgelopen weken vaker gedacht. Belachelijk. Met zijn eisen, zijn opdrachten. Peter Pan blijft misschien voor altijd jong, zijn jeugd is tanende. De grip die hij op haar heeft ook.
‘Opletten elfje!’
Hij pakt haar bij haar kin, dwingt haar hem aan te kijken.
‘Ik wil dat je me volgt. Waar ik ook ga, en wat ik ook doe. Je zorgt dat ik en de mensen waar ik mij mee meng, genoeg te drinken hebben en je klaagt niet, geen enkel moment!’
‘Maar ik wil niet toekijken hoe jij…’
‘Wat jij wilt is niet belangrijk. Dit is mijn feestje en ik wil wel dat je toekijkt en dat je oplet. Als jij goed je best doet dan zul je deze avond veel opsteken…’
Zijn ogen gaan langs haar lichaam zonder een blijk van goedkeuring, zonder de flikkering van geilheid die hij in het begin nog kon hebben en die op haar oversloeg. Alleen al door die blik kon hij alles met haar doen.
Het is zijn taak om haar te laten groeien, om voor haar te zorgen. In ruil daarvoor mag hij alles terug verwachten. Hij verwacht nog steeds alles. Hij verdient het alleen niet. Niet meer.
Zijn gezicht is dicht bij dat van haar.
‘Als je niet goed je best doet… Ik zal het je laten voelen.’
Een rilling loopt langs haar ruggengraat, tintelingen prikkelen in haar buik. Ze wil dat hij het haar laat voelen. Het is het enige waarmee hij haar nog kan raken. Niet zijn blik of zijn woorden. Zijn handen. Hardhandig. Net als de attributen die hij op haar gebruikt.
‘Haal mijn drankje, en zorg dat je me niet uit het oog verliest.’
Dat is niet moeilijk. Zijn gifgroene outfit springt in het oog tussen de menigte van superhelden en sprookjesfiguren. Het zou kunnen lijken op één van de carnavalsfeesten op de universiteit.
Al waren haar medestudenten toen niet zo schaars uitgedost. De meeste niet althans.
Ze brengt hem zijn drankje en volgt hem. Kijkt toe hoe hij zich laaft aan het vlees van anderen.
De vrouw gekleed als sneeuwwitje, vastgebonden aan de schommel, haar rokken omhoog, haar benen wijd. Zeven dwergen om haar heen. Ze lokken Peter Pan, en hij stort zich in haar weelderige vlees. Neukt haar zoals hij haar zou kunnen neuken. Liefdeloos. Het raakt haar niet. Niet zoals ze dacht dat het haar zou raken.
Ze weet dat hij het lang vol zou kunnen houden. Heel soms houdt hij het bij haar ook lang vol. Net zo lang tot ze hem smeekt te komen en zich in haar te legen. Woorden die hem in het begin bijna meteen lieten komen.
‘Spuit me vol… toe, spuit me vol…’
Bij sneeuwwitje houdt hij het niet lang vol, hij stopt na een minuut of vijf en meteen zoeken zijn ogen die van haar.
‘Kom hier!’
Ze gaat naar hem toe, geeft hem het glas dat hij in haar handen duwde toen hij naar de schommel liep.
‘Wat vind je daarvan elfje. Zie je hoe geil zij is, en hoe graag ze wil?’
Hij kijkt haar met een klein lachje aan, gaat iets dichter bij haar staan.
‘Zou jij dat ook willen? Kijk… de volgende stoot zich al tussen haar benen. Het is wat jij wilt. Ik weet dat het is wat jij wilt…’
Ze wil haar mond open doen. Het is niet wat zij wil. Niet precies dat, maar…
‘Zet het maar uit je hoofd. Je bent van mij en ik deel niet. Dat weet je!’
Ze vindt hem hypocriet. Hij gebruikt wat anderen delen, maar heeft nooit gehoord van het gezegde: ‘Voor wat, hoort wat.’
Ze wil wel dat hij haar deelt. Zodat ze kan voelen hoe het ook kan zijn. Hoe het misschien wel zou moeten zijn.
‘Maak me weer stijf klein elfje, laat zien dat je weet hoe het moet. Zet me niet voor schut.’
Ze worden bekeken als ze door haar knieën gaat en hem in haar mond neemt. Een man hurkt naast haar.
‘Als je klaar bent, mag je mij doen…’
Woorden die in haar buik gaan zitten. Peter Pan duwt de man met een snauw weg.
‘Mijn elfje!’
Ze voelt hem groeien in haar mond. Hij kickt hier op. Weten dat anderen haar ook willen. Dat hij het niet alleen haar, maar ook anderen ontzegt. Zijn elfje. Zijn slet. Zijn hoer. Goed genoeg om hem te laten vliegen. Zo hoog hij wil. Haar eigen vleugels heeft hij gebroken, zodat ze enkel wat kan fladderen, nooit ver bij hem vandaan.
Een vrouw in het kostuum van Maleficent, de boze koningin, verschijnt naast hem. Streelt hem langs zijn liezen. In haar mond voelt Dominique hem reageren.
‘Dat kleintje weet van wanten. Je hebt haar goed afgericht … zin om wat van mijn feeën af te richten. Ik zie dat je haar graag laat toekijken.’
Hij trekt zijn elfje omhoog, stuurt haar om drankjes en volgt de vrouw van het kwaad naar een kleine kamer.
‘Zorg dat je me weet de vinden!’
Ze haalt de drankjes, voegt zich bij het gezelschap in de kleine kamer waar ze op een stoel wordt gezet.
‘Niet om mee te spelen mensen.’
De stem van de koningin, de lach van Peter Pan, het gelach van de anderen.
Zij zit, kijkt en luistert.
Twee zoete feeën, aan de voeten van de koningin, kijken in adoratie naar de vrouw op. Slavinnen. Ze weet en ze voelt.
Volle vrouwen. Rond zoals zij plat is. Veel waar zij te weinig van heeft. Alles zoals Peter Pan het wil. Alles wat zij niet is.
Zijn ogen als de vrouwen zich op hem storten, in opdracht van die vrouw. Die slechte vrouw. Zijn hoofd achterover als de rode fee hem in haar mond neemt en diep gaat. Dieper dan zijzelf ooit zou kunnen. De kreten van de groene fee als de zweep van de koningin op haar billen landt, de rode striemen die bijna meteen verschijnen. Het elfje voelt haar eigen huid gloeien. Haar eigen kreten zijn zelden zo hard.
Het gekreun van Peter Pan als de rode fee zich over hem heen laat zakken.
Het elfje sluit haar ogen. Ze hoeft hier niet naar te kijken. Wat haar gedachten ook zijn. Het maakt niet uit. Het doet toch pijn.
Een hand in haar nek, sissende woorden.
‘Kijk! En weet dat je beter verdient. Weet dat het elfje beter verdient en veel meer in haar mars heeft.’
Ze schudt haar hoofd. Zij is het elfje niet. Net zo min als hij Peter Pan is.
Een vinger met zwart gelakte nagel door de ring van haar halsband.
‘Dit zegt niet dat je van hem bent. Zijn acties zouden dat moeten zeggen en op dit moment verklaren zijn acties je vogelvrij. Sla je vleugels uit en wordt de held in je eigen verhaal.’
De vrouw springt terug in haar rol van de boze koningin, instrueert haar feeën met harde stem.
‘Lik hem, berijdt hem. Zorg dat ik hier geen spijt van krijg.’
Haar donkere ogen in die van haar, haar stem fluisterend. Het lichaam van het elfje reageert er op, met zachte bonzingen. Ze voelt dat ze nat is. Deze vrouw…
‘Hij is mijn Meester…’
De overtuiging in haar stem is verdwenen. Ze hoort het zelf. De boze koningin hoort het ook en ze kijkt haar indringend aan.
‘Hij is alleen maar jouw Meester zolang jij hem toestemming geeft… Mijn trio is nog niet compleet. Ik kan nog wel een fee gebruiken.’

Het elfje kijkt. Naar Peter Pan, de twee feeën, die enkel doen wat hun koningin ze zegt te doen. Het gezicht van Peter Pan. Rood en bezweet, zijn gezicht vertrokken in de grimas die ze zo goed van hem kent. Genot, het tegenhouden van dat genot omdat hij er zo lang mogelijk van wil genieten.
De blik in de ogen van de koningin. Triomfantelijk, omdat zij degene is die de macht heeft. Niet alleen over haar feeën, ook over hem die de Meester denkt te zijn.
Haar Koningin. Als ze haar vleugels uitslaat zou ze ook de Koningin van het elfje kunnen zijn.

Ze staat op en wacht op het goedkeurende knikje van de vrouw, haar woorden.
‘Vlieg, en kom dan terug bij mij.’
Peter Pan ziet haar niet meer. Hij gaat zo op in alles wat haar Koningin hem toestaat te ervaren, dat hij is vergeten dat ze er is en het elfje verlaat de kamer, begeeft zich in de menigte van dansende en verlangende lichamen. Ze laat zich aanraken, zoent vreemde gezichten, ogen achter maskers. Liefkozende, geile woorden. De ogen van haar Koningin in haar hoofd als ze de grote trap beklimt en vanaf de galerij naar de mensen kijkt.
‘… wordt de held in je eigen verhaal.’
Ze is al heel lang een bij-figuur in het verhaal van een ander. Zijn hulpje, zijn slaaf. Zijn deurmat.
Ze draait zich om en bekijkt zichzelf in de weerspiegeling van de grote ramen.
Haar Koningin vindt haar mooi. Ze heeft het gezien in haar ogen. Geen overbodige ballast. Er is geen reden dat ze niet zou kunnen vliegen.
Ze loopt een lege kamer in, gaat zitten op de zachte bank. Haar handen langs haar borsten, haar buik, het naakte vlees tussen haar benen. Warm, zacht en vochtig. De spiegel tegenover haar.
Ze is mooi en geil. Veel geiler dan Peter Pan verdient.
De deur gaat open, twee mannen, beiden gekleed als Hercules. Breed en gespierd. Echte mannen. Mannen die volwassen zijn geworden.
‘Kijk nou… Een klein, geil elfje.’
Handen die haar eigen handen volgen, haar optillen, strelen, voelen hoe vochtig ze is. Hoe zacht en warm. Hoe geil. Het elfje zweeft. Tintelt. Vliegt.
Nog een keer gaat de deur open.
‘Waar is je Meester elfje?’
Het elfje kreunt als één van de mannen zich diep in haar vlees stoot, haar ogen op de rijzige gestalte in de deuropening. Ze wordt nog natter, hijgt.
‘Ik heb geen Meester. Ik ben vogelvrij en straks ga ik terug naar mijn Koningin.’

Bron afbeelding